Snippers zijn korte verhalen en columns die één maal per maand verschijnen.

Even een uiltje knappen

Over onverwachte aandacht

Antoinette van Drimmelen keek terug op een bewogen maar voldaan leven. In deze fase van haar bestaan gingen haar gedachten nogal eens langs de richting gevende bakens in haar leven. De armoede in het kinderrijke gezin waarin zij opgroeide, de interne betrekking bij een rijke familie die zij op zeer jonge leeftijd moest aanvaarden om zo de kosten in het ouderlijk huis te drukken, de gruwelijkheden van de tweede wereldoorlog waarbij de hongerwinter diepe sporen naliet en onmenselijke eigenschappen aanriep in het Rotterdam van toen. Het leek wel of haar jeugdherinneringen zich met toenemende intensiteit en frequentie tijdens haar overdenkingen aanmeldden.
Aan de wederopbouw van Nederland deed zij dapper mee. ‘Niet lullen maar poetsen’ was de Rotterdamse geest die niet alleen tot uiting kwam in het groeiende stadsbeeld, maar zeker ook in de persoonlijke levens van haar bewoners. De ontmoeting met haar Cees op die bewuste zaterdagmiddag op het plein voor de indrukwekkende Sint Laurenskerk was daarvan een overtuigende exponent. Zij traden algauw in het huwelijk en betrokken een bovenwoning in de Nicolaas Zasstraat, een markante plek achter het centraal station, rijk aan spionnetjes, die het noodlottige bombardement aan het begin van de oorlog wonder boven wonder had overleefd. De gestaag toenemende welvaart culmineerde in de geboorte van hun twee dochters, twee plaatjes van meiden die de beide ouders met trots vervulden. Hoe diep duister grauwde de wereld toen in 1953 de jongste bij een tragisch ongeval om het leven kwam. De boottocht op de Nieuwe-Waterweg had het hoogtepunt van haar schoolreisje moeten zijn, dat wreed verstoord werd door één moment van onoplettendheid. Dagenlang speurden duikers het water af alvorens haar levenloze lichaam werd gevonden. Sindsdien ging er geen dag voorbij zonder dat haar beeld met de twinkelende blauwe ogen onder weelderig wapperende blonde haren zich aan Antoinette vertoonde.
Ondanks deze donkere rauwe rand deelden Cees en zij een lange en gelukkige levenstijd. Zes jaren geleden alweer ontviel Cees haar na een lang ziekbed, waarna de ouderdom een steeds verwarrender spoor in Antoinettes leven achterliet. Vijf jaren later verhuisde ze, op aandringen van haar dochter, naar een kamer in het verzorgingstehuis De Burcht.
Hoewel zij in eerste instantie tegen deze rigoureuze stap opzag was zij achteraf toch wel blij met haar keuze. De eenzaamheid voelde minder schrijnend door de permanente aanwezigheid van bewoners en personeel, die het gemis van Cees niet wegnamen, maar wel verzachtten. Bovendien kon zij gedeelde ervaringen met generatiegenoten uitwisselen, waaruit ze bij tijd en wijle een helende werking ondervond.
Antoinette worstelde zichtbaar met het toenemend falen van haar lichaam en geest, waarbij ze de medebewoners die in dit proces een voorsprong wisten op te bouwen, ronduit als confronterend ervoer. De door het tehuis frequent georganiseerde afleidingsmomenten greep zij dan ook dankbaar aan als vluchtmiddel uit de dagelijkse sleur, ook als het om activiteiten ging die zij van huis uit niet omarmde. Zo ook de meezingmiddag die onlangs in het restaurant beneden plaats vond.
Muziek bleek een wonderlijk fenomeen. Bij een toenemend gebrekkiger communicatievermogen opende muziek deuren die normaliter voor eeuwig gesloten leken. Dat ervoer Antoinette ook die middag. Zij zag mensen meezingen die ogenschijnlijk niet meer in staat waren tot het voeren van een gesprek op menselijk niveau en ook zelf beleefde zij een warme herkenning en enthousiasmerende sfeer die gevoelens en beelden in haar opriepen die zij voor altijd versleten waande. Een hartstochtelijk entertainende groep muzikanten bracht oude schlagers ten gehore, het publiek tot meezingen uitnodigend dat daaraan met toenemende uitgelatenheid gehoor gaf. Liederen als ‘Sarie Marijs’ kregen flink respons, waarbij het refrein telkenmale uit volle borst werd meegezongen, daarbij jeugdbeelden in herinnering roepend die zichtbaar hun weerslag op de aanwezigen hadden:

Oh, bring my t’rug na die ou Transvaal
Daar waar my Sarie woon
Daar onder in die mielies
By die groen doringboom
Daar woon my Sarie Marais

De middag vloog om en Antoinette begaf zich moe en voldaan naar haar kamer.
Ik denk dat ik even op bed ga liggen, dat kan nog net voor het eten, bedacht zij zich.
Bij het betreden van haar kamer viel de verandering Antoinette niet direct op, maar na enige ogenblikken keek ze wat verrast rond.
Wat is mijn kamer keurig opgeruimd, dacht ze. Het lijkt wel of ze spullen op een andere plek hebben gezet, eigenlijk wel leuk zo hoor.
Te vermoeid om hier verder aandacht aan te besteden schopte Antoinette voorzichtig haar schoenen onder het bed, ging op de rand zitten en vlijde zich op het sierdek neer, waarna een weldadige diepe slaap haar al snel overmande, opgeluisterd door beelden van haar zingende jongste dochter, zo reëel dat het leek alsof Antoinette haar liefkozend kon omarmen.
Normaal gesproken begaf zij zich tegen vijf uur naar het restaurant om de maaltijd te gebruiken. Het liefste liep zij al wat eerder naar beneden om ruim op tijd te zijn voor het uitzoeken van een plek aan een van de tafels. De eerste weken van haar verblijf in De Burcht leverde dit weleens ongemakkelijke situaties op. Een ongeschreven bejaardenwet namelijk gebood dagelijks de bewoners een vaste plek aan hetzelfde tafeltje op te zoeken, overzichtelijk voor iedereen en tevens een middel om anderen van de groep te kunnen uitsluiten, want blijkbaar had men zo zijn voorkeuren. Geheel onwetend zocht Antoinette juist naar een middel om in korte tijd zoveel mogelijk mensen te leren kennen en nam zich voor iedere dag aan een ander tafeltje plaats te nemen. Een aantal disgenoten waardeerde dit zeer, door het verse bloed dat zich zo in het tafelgroepje mengde. Het overgrote deel echter kwam niet verder dan de loopgravenstelling ‘dit hoort niet, dat doen we hier zo niet’.
Voor een neutrale toeschouwer leverde dit soms vermakelijk gênante conversaties op, waarbij Antoinette, overtuigd van het doel van haar missie, zich nooit uit het veld liet slaan. Eén ogenblik dreigde de situatie uit de hand te lopen door een medebewoner die blijkbaar het kind-stadium dusdanig benaderde, dat pesten en schelden als legitiem middel werd gezien. De pesterijen gingen zelfs zover dat Antoinette zich niet onbevangen door het tehuis kon begeven, omdat zij bij het passeren van de niet zelfgekozen vijand op een flinke duw of por kon rekenen, waarbij op het laatst zelfs haar handtas werd ontvreemd. Deze actie was voor de directie aanleiding om de betreffende vrouw een half jaar lang de toegang tot het restaurant te ontzeggen onder het dreigement van overplaatsing bij onveranderd gedrag. Dit gaf Antoinette een flinke opschaling in haar status, waardoor niemand haar aanwezigheid in een tafelgroepje ter discussie stelde of ook maar enige vorm van uitsluiting toepaste uit angst zelf door de directie te worden verbannen. Sterker nog, velen probeerden bij Antoinette in een goed daglicht te komen vanuit de veronderstelling zelf zo enige statusverhoging te kunnen verwerven.
Doordat Antoinette geen vaste eetplaats in het restaurant claimde, merkte niemand haar afwezigheid op. Toch wel opvallend, daar haar binnenkomst in de eetzaal doorgaans niet ongemerkt geschiedde. Zij koerste nooit rechtstreeks op een zitplaats af, maar slalomde tussen de tafeltjes door om hier en daar wat bewoners om uiteenlopende redenen aandacht te geven met een praatje, grapje of een schouderklopje. Aansluitend speurde zij aandachtig het restaurant af om vervolgens, na het maken van een weloverwogen keuze, aan een van de tafeltjes plaats te nemen, erop lettend nooit tweemaal achtereen dezelfde plek te selecteren.
Pas toen het personeel met het afruimen van het servies begon en enkele bewoners aanstalten maakten om hun appartement op te zoeken, maakten twee opmerkzame dames elkaar op Antoinette’s afwezigheid attent, waarbij hun conversatie nagenoeg verloren ging in het ontruimingsrumoer.
“Zeg Fien, heb jij Antoinette nou gezien?”
“Nu je het…, ik weet ook niet waar…, je weet ook nooit aan welke tafel ze…”
“Anders moeten we vanavond bij het koffiedrinken even opletten. Misschien had ze bezoek of zo.”
“Ja, je hebt gelijk, misschien had ze…, vanavond bij de koffie en anders zien we wel.”
Rond achten vulde het restaurant zich langzaam met koffiegebruikers, inclusief de twee opmerkzame dames, maar zonder Antoinette. Vanuit hun medeverantwoordelijkheid voelden de twee dames zich hier zichtbaar ongemakkelijk bij. Moesten ze nu…, zien maakt verantwoordelijk tenslotte.
“Zeg Fien, wat vind je, moesten we maar niet eens op haar kamer kijken? Of zou ze ons een stelletje bemoeiallen vinden?”
Na nog wat getreuzel begaven de twee zich naar de kamer van Antoinette op weg. Hoe enthousiast ze ook belden of op de deur klopten, deze bleef gesloten, waarna beiden voorzichtig de klink omlaag duwden en het appartement betraden.
“Antoinette, hallo An? Wij zijn het, Fien en Dora! We komen even…”
Fien stokte midden in haar zin, de kamer was volledig leeg, het bed onbeslapen, geen enkel teken van leven, ook niet in de bad- en slaapkamer.
“Hoe kan dat nou, wat moeten we nu? Hè ik vind dit maar…, zullen we dan toch…”
“Je hebt gelijk Fien, we moeten dit toch maar even melden. Er zal toch niets ernstigs zijn gebeurd? Dit is niets voor Antoinette.”
De ontdekking veroorzaakte een overweldigende beroering in het tehuis. Antoinette’s appartement werd nog eens grondig onderzocht. Aanwijzingen voor een eventueel vertrek werden niet gevonden, alles hing of stond nog precies op zijn plek.
Verontrust schakelde de leiding de politie in, die snel ter plaatse kwam. Op zoek naar een aanwijzing voor Antoinette’s verdwijning ondervroeg een agent alle bewoners. Ondertussen startten enkele van haar collega’s een buurtonderzoek dat niets opleverde. Ook werd het duikteam ingeschakeld om de nabijgelegen waterplas te onderzoeken. Grote schijnwerpers verlichtten de inmiddels in diepe duisternis gehulde waterplas om de duikers gelegenheid te geven de bodem te onderzoeken. Zelfs een politiehelikopter cirkelde met zijn verontrustende geronk boven de wijk. Tot diep in de nacht werd er gezocht zonder positief resultaat.
Antoinette’s inmiddels gewaarschuwde dochter maakte zich grote zorgen en werd in het restaurant liefdevol opgevangen door een personeelslid. Door alle commotie moesten veel bewoners die roerige nacht hun slaap ontberen. Tegen het krieken van de nieuwe dag werd de zoekactie tenslotte gestaakt, de politie stond voor een raadsel.

Antoinette ontwaakte langzaam uit haar bewusteloze slaap. Heel traag rijpte het besef dat haar te knappen uiltje ontaard was in een nacht volledig van de wereld zijn.
“Tsjonge wat heb ik lekker geslapen,” sprak zij halfluid tegen het plafond boven haar.
Behoedzaam kwam ze overeind en bij het zien van haar kleding grinnikte ze ondeugend als een jonge tiener die stiekem iets had uitgehaald. Opnieuw viel haar het keurig opgeruimde appartement op en na een grondiger inspectie nam zij allerlei voorwerpen waar die ze nog nooit in haar kamer had gezien. Langzaam sloeg de twijfel toe en drong een rumoerige drukte vanaf de gang tot haar door. Antoinette knipte het licht aan en keek op haar horloge. Tien over vijf informeerde de klassiek ogende wijzerplaat.
Wat doen al die mensen zo vroeg op de gang, vroeg ze zich met een groeiende ongerustheid af. Nieuwsgierig begaf zij zich naar de deur om die behoedzaam te openen. Voorzichtig betrad zij de gang en botste tegen een juist passerend personeelslid aan dat een ijzingwekkende gil slaakte, waardoor alle aanwezigen zich met een ruk omdraaiden en vol verbazing in de richting van Antoinette staarden.
“Iehhhh! Mevrouw van Drimmelen, wat doet u in de logeerkamer?” luidde de verschrikte vraag.
Antoinette keek vergenoegd de gang in, zich verbazend over zoveel belangstelling, rekte zich voldaan uit en antwoordde opgewekt:
“Hè hè, wat heb ik lekker geslapen zeg!”

Flatulare

Over 500 euro vrije meningsuiting

Jochem is kunstenaar, flatulare-artiest. Althans, hiertoe heeft hij zichzelf verheven, want een officiële status wist hij nooit te verwerven. Zijn voorliefde voor deze kunstvorm voert terug naar zijn kinderjaren, waarin de permanente aanwezigheid van zijn markante grootvader een nadrukkelijke rol in zijn ontwikkelingsproces speelde.
Tot Jochems zeventiende levensjaar woonde opa Geert bij zijn ouders in. Een groot deel van de dag verbleef hij gezeten op een imposante fauteuil naast een even indrukwekkende schoorsteenmantel centraal in de ruime woonkamer. Zijn, in de ogen van Jochem, historische persoonlijkheid was doorgaans letterlijk in nevelen gehuld, veroorzaakt door een eeuwig rokende kromme pijp in de hoek van zijn bruine glimmende speekselmond tussen oude kaken geklemd. Overal liet de nicotine haar sporen na: op het gezicht, in zijn mondhoeken, tussen de vingers van zijn handen en zelfs op het plafond, waar als een soort territoriummarkering een enorme gele vlek zich van een blijvende status verzekerde. Eén keer per jaar ondernam Jochems vader een poging deze territoriumdrang te vernietigen, door met het duurste merk latex het plafond te bewerken, zelfs twee lagen dik. Slechts drie dagen hield deze claim op de vierkante meter naast de schoorsteenmantel stand. Steevast op de vierde dag ving het plafond haar vervuilend verzet weer aan, met na een week de glorieus teruggekeerde bruingele nicotinevlek als resultaat. Eigenlijk heeft Jochem nooit goed begrepen waarom zijn vader ieder jaar opnieuw de geldverslindende strijd met de onsmakelijke groezelige territoriumvlek aanging.
Sinds zijn pensionering hield opa Geert er een vast dagritme op na, waarmee hij ongewild een gewisse factor in Jochems leven creëerde. Met gemopper en gevloek ving de dag al vroeg aan, voor Jochem het teken dat opa zijn bed met een poging tot aankleden had verlaten, wat als gevolg van zijn hoge leeftijd niet geheel probleemloos verliep en standaard werd omlijst met krachttermen die geen enkele ouder in de omgeving van zijn kind zou prefereren of tolereren, maar die bij Jochem de indruk wekten tot de gangbare woordenschat te behoren in geval van ondervonden tegenslag. In een vergelijkbare grimmige sfeer verliep de hierop volgende scheerpoging. Nadat de onrust op de slaapetage enigszins stabiliseerde volgden alras vertwijfeld zoekende voetstappen op de trap naar beneden, waarna opa Geert zich met een ‘Morgen allemaal’ aan de ontbijttafel meldde in de veronderstelling de enige getuige te zijn geweest van zijn eeuwige strijd om het leven weer op te starten.
Na het ontbijt verliet opa, steunend op zijn wandelstok en het gehele trottoir gebruikend als bewijs van zijn aflatend functionerende evenwichtsorgaan, het huis om een kop koffie bij één van zijn vaste adressen te nuttigen, om rond twaalf uur weer terug te keren voor het gebruiken van de lunch, standaard bestaande uit twee boterhammen bedekt met een gelijk aantal plakken ontbijtkoek met daarop een ruime hoeveelheid rauw-ui-ringen gedrapeerd.
“Goed voor de keel, ik heb nooit last van keelpijn,” luidde het terugkerende argument.
Uiteindelijk bleek deze lunchgewoonte de grondslag voor Jochems latere flatulare-carrière.
Na een ‘Dat smaakte’ werd schuifelend het territorium naast de schoorsteenmantel opgezocht om het volgende uur in een zuchtend en snurkend sluimerende toestand te verkeren als opkikker voor de resterende middag en avond. Gedurende het overige dagdeel verliet opa de fauteuil niet meer. Uitzondering hierop vormden het avondmaal en de stoelgang. Ondanks het veelvuldig gebruik van rauwe uien lukte het opa Geert niet vaak om spontaan zijn hoop te laten varen. Ter stimulering van zijn stoelgang had hij een soort training ontwikkeld, die op Jochem de indruk van een lange-baan-schaatswedstrijd maakte. In de ruime gang van het oude woonhuis liep opa Geert met de handen op de rug in een wandelpas heen en weer die, mede vormgegeven door zijn slecht functionerende evenwichtsorgaan, in een zwierende tred resulteerde en zonder moeite de vergelijking met de schaatssport opriep. Kwam de finish uiteindelijk in zicht dan werd de toiletdeur opengerukt, waarna er een ontlading plaatsvond die herinneringen aan het achterliggende oudejaarsvuurwerk opriep.
Hierna bleef er nog geruime tijd over om de krant lezend en televisiekijkend in de leunstoel door te brengen. Met regelmatige tussenpozen verplaatste opa Geert daarbij het evenwicht naar zijn linker bil, waardoor er een natuurlijke ruimte werd geschapen voor het flatuleren van darmgassen, ingegeven door het veelvuldig gebruik van de eerdergenoemde ui-ringen en steevast gevolgd door de opmerking ‘D’r uit honderd gulden’. Een toevoeging waarmee Jochem van jongs af aan vertrouwd raakte, maar met het vorderen der jaren een groeiende nieuwsgierigheid naar haar achtergrond deed ontwikkelen.
Op zestienjarige leeftijd dwong Jochems uitgegroeide interesse hem om de voor de hand liggende vraag te stellen:
“Opa, waarom zeg jij toch steeds ‘D’r uit honderd gulden’ als je een scheet laat?”
Verrast liet opa Geert zijn krant zakken, verbaasd over zoveel belangstelling voor een alledaagse gewoonte. Grinnikend nam hij de leesbril van zijn neus en vervolgde:
“Een kwestie van geld jongen. Ik verdien geld met het laten van winden.”
Nieuwsgierig geprikkeld door dit antwoord leidde Jochems vraag hem wellicht naar een onverwachte mogelijkheid tot een aanvulling op zijn niet al te riante hoeveelheid zakgeld. Jochem was voorbereid op een niet alledaagse respons, maar dat scheten laten geld kon opleveren was nieuw voor hem.
“Geld verdienen, echt geld? Hoe doe je dat dan opa?”
“Nou jongen, het gaat niet om geld dat je kunt vasthouden. Het heeft te maken met een bericht dat ik ooit in de krant heb gelezen. Er was eens een boer die last had van winderigheid. Niet dat hij dat vervelend vond, want de dieren waar hij mee omging deden niet anders. Maar tijdens ontmoetingen met andere mensen wilde hij graag een nette indruk maken, waarbij hij niet wenste dat mensen achteraf dachten: wat een lompe boer is die man zeg. Op een dag, tijdens een bezoek aan familie, had hij fikse last van winderigheid. Vanuit zijn hiervoor genoemde motivatie bewaarde hij de winden voor de terugweg. Even later begaf hij zich op weg naar huis met het gevoel alsof zijn darmstelsel zich tot een levensgrote luchtballon transformeerde. In deze ongemakkelijke conditie had hij, om thuis te komen, een wandeltocht van ruim een half uur voor de boeg en al die tijd lukte het hem niet om ook maar één wind te laten. De daaropvolgende nacht verging de boer van de pijn en uiteindelijk bracht hij de volgende dag een bezoek aan de dokter, die hem met een lichte ingreep van zijn winderigheid verloste.
‘Nou meneer, dat is dan honderd gulden,’ sprak de dokter tegen de opgeluchte boer. En weet je Jochem, ik vind het zo zonde van dat geld. Vanaf het moment dat ik dit bericht heb gelezen, nam ik me voor om nooit meer een wind op te houden. Winden laten is een prachtig biologisch proces, dat moet je niet tegenwerken. En daarom denk ik iedere keer als ik een wind laat: d’r uit honderd gulden. Dat heb ik toch maar weer mooi verdiend.”
Geïnspireerd door de onderliggende humor vond Jochem het een fantastisch verhaal en vanaf dat moment nam hij zich voor om de biologische levensfilosofie van zijn opa over te nemen.
Dat ging niet zonder slag of stoot. Thuis leverde het flatuleren dankzij het voorwerk van opa Geert weinig problemen op. Maar op school of zelfs onder vrienden werden zijn laagfrequente geluiden niet gewaardeerd en zeker niet de bijbehorende geuren, waarbij gezegd moet worden dat de heftigheid van reactie verschilde per inhoud van de vooraf genoten maaltijden, waarbij sommig voedsel agressief riekende darmgassen produceerde die evenzo agressief klinkende reacties opriepen.
Uit iets negatiefs ontstaat menigmaal iets heel moois, zo ook uit de afkeurende reacties waarmee Jochem geconfronteerd werd. Langzaamaan realiseerde hij zich dat zijn winderigheid tot een bewonderenswaardige eigenschap moest worden omgevormd,
een vermogen om een kunstzinnige boodschap mee uit te dragen, waarbij de soms onaangename geuren op de koop toe werden genomen. Hiertoe begon hij eerst met geluidsvormen en later met performance te experimenteren. Op creatieve wijze ontwikkelde Jochem technieken waarmee hij een saaie wind in een zachte uitgerekt piepende toon of een krachtige, door korte stiltes onderbroken, stevige bas-solo kon omzetten. Na enige weken oefenen beschikte hij over meer dan vijftig variaties, die hij bovendien in een adembenemende show van snelle poses en omlijstende gezichtsuitdrukkingen kon verpakken. Om het geheel tot een ultieme verfijning te creëren gebruikte hij poeders in allerlei kleuren die hij met een sublieme timing in de uitstromende gassen strooide, waardoor een prachtig visueel schouwspel ontstond. En alsof dit nog niet imposant genoeg was verpakte hij het spektakel in een morele boodschap die de toeschouwer vertelde over het belang van zelfbeschikking.
“Wij mogen toch zeker zelf bepalen wat goed of fout is. Leg af dat opgedrongen harnas van fatsoen! Ikzelf bepaal mijn moreel handelen en hang daar mijn eigen bordje met ‘fatsoenlijk’ aan. Zijn wij vrijgevochten geesten? Ja? Laat dan onze gemeenschappelijke factor zijn dat wij ons bevrijd weten van fatsoenlijke belemmeringen. Dat is òns fatsoen!”
Deze boodschap sloeg aan bij een groeiend publiek dat zich rondom Jochem in het stadspark verzamelde. In het centrum van die stadstuin bevond zich een groot prieel waar Jochem zich regelmatig met een aanzienlijke groep jongeren ophield om zijn boodschap in vreedzaamheid uit te dragen en zijn flatulare-artiestendom in de praktijk verder te ontwikkelen.

Zo ook op die zomerse avond in augustus, zo’n avond waarop de tijd leek stil te staan, omdat de zomer beloofde nooit meer te vertrekken; zo’n avond waarop het nooit twaalf uur ging worden, doordat de gemoedelijke gezelligheid het wisselen van etmaal voor zich uit bleef schuiven in een ambiance waarbij iedereen zich verwant voelde, familie leek, aangemoedigd door de meegebrachte blikjes bier en een verdwaalde joint. Het begeleidend enthousiasme, zich uitend in meer decibellen dan een gemiddeld gesprek, kon onmogelijk een reden zijn om de ervaren gemoedelijkheid te verstoren, daar het prieel zich op een verantwoorde afstand van de bewoonde wereld bevond.
Nadrukkelijk eiste Jochem zijn aandeel in deze tijdbubbel op door met verve zijn boodschap over zelfbeschikking uit te dragen, opgeluisterd met een kleurrijke en hartstochtelijk ontvangen performance, waarin hij zijn nieuwste kunsten vertoonde.
Nu had Jochem de pech dat juist die avond twee jonge ambitieuze agenten, geheel onbekend met zijn artiestenstatus, al enige tijd op afstand met groeiende ergernis deze ongebruikelijke uitvoering gadesloegen. Met driftige passen beende de jongste carrièremaker op het tafereel af, daarbij Jochems show bruusk onderbrekend met de vraag:
“Goede avond jongeman, zou ik je identiteitsbewijs even mogen zien?”
Jochem, juist op het punt staand om een langgerekte klaagtoon aan zijn anus te ontlokken, strooide geheel effectloos een hand glitterpoeder in de lucht, waarbij hij de agent wazig aankeek en geen weerstand kon bieden aan de opgebouwde spanning in zijn endeldarm, waardoor zijn sluitspier de vaak geoefende bewegingen maakte met de eerdergenoemde klaagzang tot gevolg. Een kort moment van absolute stilte volgde, waarin het leek of de op de achtergrond aanwezige stad zich het cruciale belang van dit moment realiseerde, daar zij voor een kort ogenblik, samen met de groep jongeren, de adem inhield. Hierdoor kon zich een spanning opbouwen die enkele seconden later in een oorverdovend gelach en gejoel explodeerde, waarbij sommigen tranen lachend over de grond rolden en ook de stad besloot enthousiast claxonnerend het leven te hervatten. Met zichtbaar ingehouden woede trok de jonge diender een boekje tevoorschijn en begon te schrijven, Jochem na enkele minuten een papiertje overhandigend met daarop het nadrukkelijke bedrag van 500 euro. ‘Wegens het beledigen van een ambtenaar in functie’ luidde de motivatie in het daartoe bestemde witte hokje.
Geheel verbijsterd begreep Jochem niet wat hem overkwam. Voldaan draaide de agent zich om en beet Jochem nog juist over zijn schouder toe:
“En denk erom, op tijd betalen. Anders loopt het bedrag heel snel op!”

Strijdvaardig nam Jochem hiermee geen genoegen. Zonder het te beseffen gaf de jonge agent hem een sublieme mogelijkheid om te bewijzen wat zijn filosofie van zelfbeschikking waard was. Enige weken later moest hij zich melden bij de rechtbank, waarbij zijn advocaat de rechter wees op het recht van vrije meningsuiting waarvan Jochem gebruik had gemaakt.
“Iedere burger heeft recht op het verkondigen van zijn of haar mening. De agenten verstoorden dit grondrecht op meer dan provocerende wijze en interpreteerden de verkondigde filosofie, geheel ten onrechte, als een belediging aan hun adres.”
De rechter ging daarin mee en verklaarde de opgelegde boete als onterecht.
Vanaf dat moment kon Jochem niet meer stuk bij zijn publiek en haalde zelfs de internationale pers, waarmee zijn filosofie een bestendige status veroverde.

Het tampongeluk van Facebook

Over een vertekende werkelijkheid

Het is alweer geruime tijd geleden dat ik een blik wierp in de roze Facebookwereld. Mijn voorkeur voor deze kleurtypering is niet geheel willekeurig gekozen en vertelt hoe ik het door Facebook voorgeschotelde wereldbeeld ervaar. De Facebookbril toont mij een succesmaatschappij waarin verliezen en falen niet bestaan.
Langzaam dringt zich een ongemakkelijke vergelijking met een tamponreclame op, beelden van gelukzalig lachende vrouwen die de maandelijkse ongemakken weg glunderen vanuit de zekerheid het juiste merk tampon te gebruiken, een schijngeluk dat de televisiekijker accepteert vanuit het besef de werkelijke realiteit te kennen.
Facebook roept ditzelfde tampongeluk op. Dat begint al met zoiets eenvoudigs als een verjaardagsfelicitatie. Het door Facebook consumeren van andermans privégegevens heeft inmiddels een obesitasachtig karakter aangenomen, met een soms positief dwingende bijwerking. Het lukt namelijk niet om iemands geboortedag te vergeten. Waag ik toch een halsstarrige poging, dan word ik ruimschoots van tevoren herhaaldelijk herinnerd aan zo’n verjaardatum. Nalatigheid in deze zadelt mij op met een eeuwigdurend schuldgevoel of met het besef van een doelbewuste poging tot negeren. De felicitatieontvanger voelt zich, na een regen van mooie lieve woorden en toepasselijk geestige afbeeldingen, bevestigd in zijn waarde en trakteert ons dankbaar op gezellige foto’s, vooral gezellige, met daarop harmonieuze families met gelukzalig lachende kinderen: een mini modelsamenleving.
Een andere poging tot het creëren van een ideaal mensbeeld luistert naar de naam ‘profielfoto’. Dit begrip kan het beste omschreven worden als ‘poging tot het zo onherkenbaar mogelijk afbeelden van een selfie’. Hiertoe beschikt de profieleigenaar over een keur aan filters, waarmee een tot voor kort herkenbaar zelfbeeld getransformeerd wordt naar een gelikt portret met sterallures. Zo kan met één klik een pokdalig uiterlijk de aanblik van een perzikhuidje krijgen als marketingstunt om zichzelf zo goed mogelijk te verkopen.
De schijnwerkelijkheid van tampongeluk laat zich vergelijkbaar eenvoudig verbeelden door weergaloze vakantiefoto’s, het liefst van verre exotische oorden, drijvend in turquoise blauw water of gekleed in kleurrijke lokale kleding, nippend aan een verleidelijke cocktail of verleidelijk nippend aan een cocktail (de juiste volgorde is aan de lezer). Is hier sprake van rijkdom of van geluk? Een vraag die in ieder geval door het inbrekersgilde beantwoord wordt, dat geheel andere mogelijkheden bedenkt bij het zien van deze foto’s.
Voor de verbeelding van tampongeluk is het overigens geen voorwaarde om de halve wereld over te reizen. Dit kan ook dichter bij huis door het delen van restaurantbezoeken. Een keur aan kunstzinnig opgemaakte voedselplateaus passeert bijna dagelijks als een digitale menukaart mijn Facebookaccount, vanuit voor mij onbekende exclusieve eetgelegenheden. Er bestaan al etablissementen die niet inzetten op kwaliteit van eten maar van presenteren, vanuit het zekere besef dat ieder gerecht sneller op Facebook dan in de maag verschijnt.
Ook de dierenliefhebbers eisen hun plaats in het geluksbeeld op. Wie kent niet de beelden van schattige huisdieren met strikjes in hun vacht, aangezet met overbodige kwalificaties als ‘cute’ en ‘lovely’, waarbij ik overigens bij een toevallige ontmoeting op straat geheel andere termen zou bezigen. Vijf minuten scrollen levert schokkende beelden op van een onnozele hond die eendenkuikens probeert te zogen, een apathische kat die door een enthousiast hert wordt afgelikt, een hondenoor reinigende parkiet, een onnatuurlijke vredesidylle van elkaar aflebberende honden en katten en tenslotte, als een soort circusact, een poes die een rondje rijdt op de rug van een paard, dat niet beseft over het vermogen te beschikken om met één steigering zijn berijder op andere gedachten te brengen.
Er bestaat ook een categorie Facebookgebruikers die zich tot het schrijven van een ‘cursus tampongeluk’, of althans een poging daartoe, geroepen voelt. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van tegeltjeswijsheden ontleend aan tal van positiviteitsplatforms als ‘voorpositiviteit.nl’ en ‘minderismeer.nu’.
‘Je kunt niet altijd je omstandigheden kiezen. Je kunt wel kiezen hoe je ermee omgaat. Je houding, je manier van denken en je daden bepalen het vervolg.’
Of:
‘Aan het einde van het leven kijk je terug en weet je dat het leven niet draaide om geld, status of macht, maar om liefde, verbinding, betekenis en fijne ervaringen.’
Op zich waar, maar door het onsamenhangende kader waarin deze woorden zijn gelanceerd, transformeren wijsheden in aanmatigingen.
Een signaal waarschuwt mij voor een nieuwe post. Ik kijk op mijn mobiel en neem een roze, jawel een ròze afbeelding waar met daarop de dwingende tekst ‘Deel dit bericht als je trots bent op je kleindochter’. Mijn mond valt open van verbijstering. Ik heb helemaal geen kleindochter, hoe kan ik dan trots op haar zijn? Of weet de poster meer dan ik? Mijn kinderen hebben het nergens over gehad. Ik betrap me op enig wantrouwen richting hen. Een kort ogenblik overweeg ik de telefoon te pakken om een informerend gesprek met mijn nazaten te arrangeren.
Wie post dit eigenlijk? De merkwaardige accountnaam ‘Knussie’ doet mij vermoeden dat iemand zich ten doel stelt om de wereld te vermoeien met aanmatigend gezellige onwaarheden.
Je zal toch een dochter hebben die ongewild kinderloos is en plotseling dit dwingende roze bericht onder haar neus krijgt? ‘Aanmatigend positivisme’ is mijn eerste gedachte.

Het tampongeluk van Facebook: wie meldt dat hij in de shit zit, een klotedag heeft? Wie post dat hij zijn droombaan onmogelijk kan vinden, terwijl hij zich ongans solliciteert door de verkeerde achternaam waarmee hij geboren is? Ik weet zeker dat zulke uitingen geen aanmatigende positiviteit oproepen, maar medeleven en compassie die op zich niets oplossen, maar wel een gevoel van steun geven, waardoor er wellicht een creativiteit kan worden gegenereerd met onverwachte invalshoeken. Creativiteit die kan leiden tot positiviteit, geen roze tampongeluk maar zelf gecreëerde mogelijkheden.
Er komt een bericht van Jochem Myjer voorbij:
‘Stop maar, begin maar helemaal opnieuw,’ eindigt hij.
Kijk, die snapt het. Niks succes, niks roze wereld. Soms moet ik gewoon helemaal opnieuw beginnen.

Bloedneus

Over twee keer leven

Guusjes jonge leven kenmerkt zich door bedachtzaamheid. Haast is voor brokkenpiloten is haar motto, waarbij rust en doordachtheid een essentieel onderdeel vormen van het leven, haar leven, merkbaar aan de manier waarop ze wakker wordt, opstaat, eet, het tempo waarmee ze naar school gaat, de afspraken met anderen. Kortom, zij vormen de lardering van haar bestaan.
Waarom zou ze zich haasten? Nergens voor nodig toch? Op haar gemak komt ze er ook, raakt niet gestrest en hoeft ook geen onmens voor anderen uit te hangen. Bovendien voorkomt dat een hoop relationele ellende, zonder haar energie aan dergelijke bagatellisering te verspillen.
Vol verbazing signaleert Guusje dit soort verkwisting bij anderen in haar omgeving, een verspilling die voor haar verwant is aan ruzie, overspanning, stress, allemaal eigenschappen waaraan zij een broertje dood heeft.
In tegenstelling tot wat deze geaardheden doen vermoeden vindt Guusje zichzelf absoluut niet saai. Zo kan zij best spontaan reageren, onbevangen en ongekunsteld, maar dan wel zonder impulsiviteit, want die raakt aan de verkwisting waaraan zij zo’n hekel heeft.
Jongens verschenen pas laat in haar leven. Ook op dit gebied doet Guusje het rustig aan. Nou heeft Voorderveld ook niet veel keus op dit gebied, of je moet van de doorsnee zuipende en meiden naroepende boerenkinkel houden, die zich doorgaans rond het dorpsplein in het Achterhoekse gehucht ophoudt. Een enorme bankencirkel verschaft de leden van de luidruchtige plaatselijke acneclub een ideale positie om het passerende dorpsleven van commentaar en ongepaste opmerkingen te voorzien. De gewraakte kring met banken wekt vanuit de lucht de indruk van een door ufo’s afgedrukte graancirkel, destijds door de gemeente als een groots project aangekondigd om fietsende toeristen te verleiden het dorp niet in rap tempo te passeren, maar uitrustend op de ufo-afdruk te genieten van een meegebrachte boterham of een bij de plaatselijke ijsboer verschalkte koude versnapering.
Doorgaans passeert Guusje de dorpskern met een minachtende kamelenblik die, wat er ook aan bagger in het platte streekdialect over haar wordt uitgestort, haar status van onbereikbaarheid bevestigt en consolideert. Over het algemeen roept dit bij het dorpsplebs een jaloezie-opwekkende woede op, daar de frisse ranke verschijning met de wapperende weelderige haarbos het aanzien meer dan waard is en menig boeren jongenshart een slag doet overslaan.
Voor haar opleiding Toerisme en Recreatie reist Guusje dagelijks op en neer naar Doetinchem, eerst op de fiets en later op een van haar zaterdagbaantje gespaard scootertje. Daar doet zij voorzichtig ervaring met jongens op, meestal niet uit haar eigen klas, want haar voorkeur gaat uit naar wat oudere studiegenoten, waaruit ze een ruime keuze maken kan door het niet onopgemerkt blijven van haar aantrekkelijke verschijning. Veelal hapt Guusje niet snel toe, wat haar waarde op de verkeringsmarkt al snel in rap tempo laat stijgen. Zo tast zij voorzichtig het jongensaanbod af, zonder ooit van plan te zijn om een serieuze relatie te beginnen.
Tijdens haar eerste baan bij reisbureau TravelPleasure verandert dit. Op een dag verschijnt er een klant, een jongeman van een jaar of zesentwintig, die haar uitnodigt om iets te gaan eten als toegift op de geboekte reis. De anders niet snel toehappende Guusje spreekt intuïtief diezelfde avond met Thijmen af, die vanaf dat moment niet meer uit haar leven verdwijnt.
Thijmen Oonk is geboren en getogen in de Achterhoek, al is er geen enkele uitspraak die hieraan refereert, want Thijmen praat met keurig abn en dat is nu juist, naast zijn aantrekkelijke verschijning, waar Guusje als een blok voor valt. Zijn keurig gearticuleerde zinnen vermoeden wereldsheid, wereldburgerschap, je thuis voelen in de rest van de wereld, waarbij de Achterhoek slechts een toevallige tussenstop lijkt. Opvallend genoeg refereren de jongens, waar Guusje in het verleden op viel, allemaal aan dat wereldse, dat afwijken van het doorsnee Achterhoekse.
Vanaf het begin karakteriseert de relatie met Thijmen zich door passie en onstuimigheid, geheel tegen de principes van Guusje, die zichzelf met moeite hierin herkent. Zo blijkt niet alleen Thijmen, maar ook zijzelf een overweldigende verrassing. Hun leeftijdsverschil sleurt Guusje uit het laatste restje adolescentie.
Thijmens overrompelende karakter komt wel het sterkst tot uiting in het feit dat hij haar na driekwart jaar voor de tweede maal om verkering vraagt, een nieuwe Thijmen en een nieuwe Guusje, vanuit een wel zeer bevreemdende oorzaak.

De zon kleurt zich dieprood, verlopend via feloranje naar intens geel boven een vredig romantische Noordzee. Het Zandvoortse strand kleurt zich in een oranjerode gloed, samen met de aangrenzende wereld.
“Wat is het hier prachtig,” fluistert Guusje tegen Thijmen die tegenover haar aan een tafeltje van strandpaviljoen Thalassa zit, juist een verkoelend slokje van een heerlijk glas witbier nippend. Thijmen heft zijn glas in haar richting en zegt:
“Proost. Een half jaar alweer. Dit voelt alsof ik je mijn hele leven al ken. Ik vond dat we dit moesten vieren.”
Als verrassing heeft hij Guusje meegenomen naar Zandvoort voor een romantisch etentje aan het strand. De zee, de ondergaande zon, eten en alcohol, het helpt allemaal om in een diepere dimensie te komen van waaruit alles een ander perspectief krijgt, of in ieder geval een scherper. Voor Guusje de ultieme bevestiging van haar keuze voor Thijmen.
“Moet je zien, daar aan de horizon. Als je goed kijkt zie je drie zeestomers varen.”
Met samengeknepen ogen en de handen beschermend boven haar gezicht tuurt Guusje in de richting waarheen Thijmen wijst. Heel vaag meent zij de schepen waar te nemen. Om nog beter te kunnen kijken spert zij haar ogen wijder open waardoor zich, als gevolg van een lichte kriebel, een onweerstaanbare nies aankondigt. De hevige ontlading als een droge knetterende bliksem bij duistere hemel doet de overige gasten even verschrikt in haar richting kijken, waarna de gebeurtenissen elkaar snel opvolgen.
In een beschermende reflex bedekt Guusje het gezicht met haar hand, die zich binnen afzienbare tijd met het scharlakenrood van bloed vult dat in rap tempo haar neus uitstroomt. In gestaag neervallende druppels verlaat het warme levenssap de overstromende hand, waardoor het lichte tafellaken in een mum van tijd een kunstwerk van levend ogende vlekken vormt, voortbewegende plakkaten die zich verzadigen in de stof en, mede door de onophoudelijk neerdalende aanvulling, van vorm en grootte veranderen. Nu is een bloedneus niet zo bijzonder, zeker als de stelping na enige minuten intreedt, maar Guusjes bloeding wijkt van die standaard af, getuigend de juist toenemende in plaats van verminderende stroom. Guusje voelt haar lichaamsstructuur in een weke rubberachtige substantie veranderen, waardoor zij zich als enig mogelijke reactie onderuit laat zakken, om als een langzaam leeglopende juten zak half onder de tafel te schuiven, waardoor ook haar kleding in het rode kunstwerk opgenomen wordt.
Hevig geschrokken springt Thijmen van zijn stoel op, gaat vliegensvlug achter Guusje staan en voorkomt zo dat zij geheel onder de tafel verdwijnt. De razend vlug toegesnelde ober trekt een grote voorraad tissues uit een meegebrachte doos tevoorschijn, in een wanhopige poging de schade te beperken. Inmiddels stroomt het bloed niet alleen uit Guusjes neus, maar ook uit haar rechteroog, voor Thijmen het signaal om zijn mobiel van de tafel te grissen en de alarmcentrale te bellen. Ondertussen verliest Guusje haar bewustzijn en hangt als een slappe vaatdoek in haar stoel, zo goed mogelijk bij elkaar gehouden door de zorgzame ober, die als een bizarre constatering bespeurt dat de overige gasten onverstoorbaar dooreten.
Binnen tien minuten arriveert een ambulance die, nadat Guusje op een brancard is gestabiliseerd, haar afvoert naar het dichtstbijzijnde hospitaal. Daar lukt het uiteindelijk om de bloeding te stoppen. Voor verder onderzoek willen de artsen haar in het ziekenhuis houden, natuurlijk totdat Guusje weer bij bewustzijn komt, maar ook om de oorzaak van de hevige bloeding te onderzoeken.
Om de situatie uit te leggen belt Thijmen de ouders van Guusje, die zich hevig geschrokken op weg richting Heemstede begeven, waar ze laat in de avond bij het Spaarne Gasthuis aankomen.
“Mogen we even bij haar?” vraagt Guusjes vader aan Thijmen, na elkaar emotioneel te hebben omarmd.
“Ik denk dat we er zo bij kunnen. De artsen zijn nog met haar bezig en geven een seintje als we haar mogen zien.”
Na enige tijd verschijnt er inderdaad een arts, die met zachte stem meedeelt dat Guusje nog steeds in coma ligt, maar naar verwachting ieder moment weer kan ontwaken. Allen krijgen toestemming om afzonderlijk naar haar kamer te gaan.
Om beurten brengt ieder een ogenblikje naast het bed door. Op het moment dat Guusjes vader, als laatste van de drie, plaats neemt op de stoel naast het bed, opent Guusje haar ogen en kijkt wazig in de richting van haar vader, die de tranen achter zijn ogen voelt branden. Met een steeds verbaasder blik loert Guusje voorzichtig in het rond.
“Dag meneer, kunt u mij vertellen waarom ik in het ziekenhuis lig?” vraagt zij met een zachte gebroken stem.
“Meneer, meneer? Kijk eens goed Guusje, ik ben het, je vader!” antwoordt Guusjes vader met een hoorbare trilling in zijn stem.
Guusje spert haar ogen wijd open en tuurt vol verbazing in de richting van het stemgeluid.
“Ken ik u dan?” vervolgt zij na enige tijd vertwijfeld.
“Ja natuurlijk. Ik ben toch je vader? Wacht, ik haal de anderen erbij.”
Van de zenuwen zijn stoel omduwend schuifelt hij de deur door naar de gang om de anderen te waarschuwen.
“Dag mevrouw, kunt u mij zeggen waarom ik in het ziekenhuis lig? Bent u soms de arts?” fluistert Guusje tegen haar moeder, die spontaan in huilen uitbarst en niet in staat blijkt om te antwoorden.
Dan schuift Thijmen naar voren en buigt zich langzaam over Guusje, zodat zij hem goed kan zien.
“Dag schat, ik ben het, Thijmen. Ik ben zo blij dat je weer bij kennis bent.”
Thijmen buigt zich nog verder naar voren in een poging om haar een kus op het voorhoofd te geven, een poging die met een afwerend gebaar van Guusje wordt onderbroken.
“Thijmen, wie is Thijmen?” vraagt zij doordringend.
“Wij hebben verkering schat, om ons half jaar verkering te vieren zaten wij een paar uur geleden nog romantisch te dineren aan het strand.”
“Daar herinner ik me niets van. Heb ik verkering dan?” vraagt Guusje vertwijfeld.
De verwarrende en tevens verontrustende conversatie wordt verstoord door de arts die de kamer betreedt en allen verzoekt om deze te verlaten om verder onderzoek mogelijk te maken.

De volgende morgen kan de dokter meer uitsluitsel geven.
“Het was niet bepaald een doorsnee bloedneus”, vertelt hij, na een toelichting op de onderzoeken.

“Er blijkt een zeldzaam defect in de cruciale verbinding tussen de hersenen en het zenuwstelsel te zijn opgetreden. De bloeding vond plaats toen de cruciale connectie werd verbroken. We hebben een bijzondere neurologische aandoening gevonden die heel soms optreedt bij depressies en stress. We denken dat het om een aangeboren afwijking gaat. Haar complete geheugen is verdampt. Zij zal al haar ervaringen opnieuw moeten beleven en opbouwen.”
Met verbijstering kijken Thijmen en zijn schoonouders de arts aan, wat moeten ze hiervan denken?
“Verdampen? Kan je geheugen zomaar verdwijnen dan?” stamelt Guusjes vader.
Het blijkt dat de arts goede hoop heeft op de gedeeltelijke terugkeer van haar herinneringen, mits op de juiste wijze gestimuleerd.
“Toch zal een segment van haar ervaringen opnieuw moeten worden opgebouwd,” luidt het slotadvies van de arts. “Zo kan ik me heel goed voorstellen dat jullie verkering opnieuw zal moeten worden uitgevonden, als Guusje dat al überhaupt wil.”
Die laatste woorden voegt de arts op bijna fluisterende toon toe. De hiernavolgende conversatie vindt geluidloos plaats, althans in de beleving van Thijmen. Hij ontwaart wel mondbewegingen, maar ontvangt geen geluiden, een vertraagde scène uit een horrorfilm, maar dan wel met hemzelf in de hoofdrol. De opmerking van de arts blijkt een soort bezweringsformule voor het uitschakelen van zijn vitale bewustzijn, waardoor Thijmen in een zwart gat glijdt, waaruit hij de volgende dag in bed pas weer tevoorschijn kruipt.
Na het ontbijt verneemt hij van Guusjes vader dat zij in de loop van de middag zal thuiskomen.
“De arts raadt ons aan om de eerste dagen even niemand te ontvangen. Ik bel je over een paar dagen wel, dan kun je bij haar langsgaan,” besluit hij het gesprek.
Rationeel begrijpt Thijmen de beslissing, maar de absurditeit dat de vrouw, waar hij zoveel van houdt, in hem een vreemde ziet, snijdt vlijmscherp door zijn ziel. Wanhopig vlucht Thijmen in onnozele bezigheden, handelingen die hun belang ontlenen aan gebrek aan beter in een poging zijn gemoedstoestand af te vlakken.  Zijn gedachten razen maar door. Hoe ziet zijn toekomst eruit, hoe ziet hun toekomst eruit? Is er straks nog wel een ‘samen’ of blijft hij een vreemde voor Guusje? Langzaam rijpt de gedachte om een fotoboek samen te stellen, een verzameling van memorabele momenten uit hun zes maanden lange relatie, als puzzelstukjes voor Guusje bij het heruitvinden van hun relatie. Door het vertalen van zijn twijfels in concrete handelingen voelt Thijmen plotseling weer energie stromen. Op zijn computer bezoekt hij een website voor fotoalbums en begint met de selectie van afbeeldingen, wat voelt als het opruimen van een zolder: ieder voorwerp vertelt haar eigen boeiende verhaal en werpt daarmee een drempel tegen weggooien op. Na anderhalve dag kan Thijmen tevreden over het resultaat zijn. Gelukkig bestaat de mogelijkheid om het album bij een filiaal in de stad op te halen. Net op tijd, want diezelfde avond meldt Guusjes vader dat hij de volgende dag op bezoek mag komen.
’s Nachts doet Thijmen een onrustige poging tot slapen. ‘s Morgens is hij al vroeg wakker en op het afgesproken tijdstip begeeft hij zich op weg naar het voor hem inmiddels vertrouwde adres, met onder zijn arm hun met zorg ingepakte relatiegeschiedenis.
“Kijk eens wie hier is Guusje?” introduceert haar vader Thijmens binnenkomst in de woonkamer.
Nieuwsgierig zit Guusje op de door een goudgeel ochtendzonnetje beschenen bank, het belooft een stralende zomerdag te worden.
“Hier is Thijmen, de jongen waarmee jij verkering hebt.”
Guusje kijkt hem verwachtingsvol aan met de blik van iemand, die iets lekkers beloofd wordt zonder te weten wat. Voorzichtig staat ze op en geeft Thijmen een drievoudige kus op beide wangen alsof ze een kennis begroet.
“Ha Thijmen, kom je naast me op de bank zitten? Mijn ouders hebben verteld dat wij verkering hebben. Raar dat ik daar helemaal niets bij voel hè!”
Door deze confrontatie met de harde werkelijkheid moet Thijmen wel even slikken,
“Ik heb wat voor je meegenomen,” antwoordt Thijmen. “Ik hoop dat dit helpt om onszelf weer te herinneren.”

In de weken na hun hernieuwde ontmoeting beginnen Thijmen en Guusje opnieuw met daten, met als hoogtepunt een etentje in paviljoen Thalassa aan het Zandvoortse strand. Als verwijzing naar die noodlottige avond heeft hij geregeld, dat zij door dezelfde ober worden bediend.
Na het voorgerecht pakt Thijmen voorzichtig Guusjes beide handen, kijkt haar verwachtingsvol in de ogen en zegt:
“Lieve Guusje, zou jij verkering met me willen?”
Guusje begint te glimlachen en zegt daarna zachtjes grinnikend:
“Ik denk dat ik je wel heel leuk vind. Heel graag.”
De ober, als onderdeel van het complot, schiet precies op dat moment een foto.
“Voor in het fotoboek,” zegt hij lachend. “Voor als het nog een keertje nodig is.”
Verbaasd kijken beiden in zijn richting en zien hem, van zijn eigen opmerking schrikkend, rood verschieten. Beiden lachen hartelijk en bekronen dit moment met een zoen, waarna het inderhaast verzamelde voltallige personeel begint te klappen en juichen. Enthousiast heffen ze ‘Lang zullen ze leven’ aan, waarbij de overige gasten algauw invallen. Een moment om nooit te vergeten.

Het diner

Over ludiek levensgenieten

“Vind jij onszelf levensgenieters? Misschien overval ik je, maar ineens schiet die vraag door mijn hoofd. Hoe vaak hebben wij hier in restaurant ‘L’air du temps’ al gedineerd? Ik ben de tel kwijt en dit is nou niet de meest goedkope eetgelegenheid. Ik weet onze eerste keer nog. De oh’s en ah’s waren niet aan te slepen. Je hoeft hier maar een vinger te bewegen en er staat iemand naast je. En de egards waarmee het personeel ons behandelt, ik werd daar destijds gewoon verlegen onder. Weet je nog dat we het er toen weken later nog over hadden?
En nu hebben we zelfs een eigen tafel. Als je belt om te reserven wordt er niet eens meer gevraagd waar we willen zitten. Het personeel geeft ons het gevoel dat we bij de familie horen, of ze nu nieuw zijn of hier al jaren werken. Tenminste, zo voel ik dat.”
Richard zit op zijn praatstoel. In deze ietwat decadente omgeving voelt hij zich helemaal thuis.
Waarom borrelt zo’n vraag ineens omhoog? vraagt hij zichzelf af. Hoe vaak heeft hij hier al met Karin in hun favoriete hoek aan het raam gezeten, met uitzicht op de gracht, het historische stadsdeel waaraan hij zijn hart verpand heeft, waar hij steeds weer de charme van de oude grachtenhuizen ervaart. Die gebouwen die hem onuitgesproken verhalen toefluisteren over tijden waarin zijn bestaan nog ver te zoeken was, over handel en geld verdienen, over kansongelijkheid, dat wel, want geluk was niet voor iedereen weggelegd. Geluk moest je verdienen of kreeg je in de schoot geworpen, omdat je toevallig in het goede nest uit een ei kroop.
Wat dat betreft is er nog niet veel veranderd, denkt Richard. Hij behoort niet tot de gelukscategorie uit het juiste nest, maar weet wel wat hard werken, kansen ontdekken en creëren is. Zonder te willen snoeven kan hij zich voorstaan op een scherpe handelsgeest, in die zin is hij een selfmade man.
Ben ik een levensgenieter? vraagt hij zich over de gracht starend nogmaals af.  Richard zou het niet weten, maar geen van de voorgaande keren onderzocht hij het belang van die vraag. Waarom nu dan wel? Voelt hij zich diep van binnen schuldig over zijn verworven levensstijl? Richard denkt met tegenzin terug aan de tijden van financiële zorgen, tijden van sappelen en ongemakkelijke klussen voor het slechts bereiken van een standaard leefniveau. Daarvoor geneerde hij zich eigenlijk tegenover zichzelf, tegenover de buren, zijn vrienden, tegenover zijn ouders, iedereen. Die schaamte, realiseert hij zich nu, blijkt zijn energieke drijfveer, zijn ronkende motor, zijn niet te stuiten motivatie om hogerop te komen, om de armoede te ontstijgen.
Vaag lichten de contouren van zijn gestalte op in de spiegeling van de ruiten. Traag verlegt zijn blik zich van de gracht naar de zelfingenomen gestalte in de weerspiegeling. Twee werelden die samenvloeien in zelfgenoegzaamheid, omlijst met de fraaie aanwezigheid van Karin, die zich ook vanavond weer onweerstaanbaar toont.
“Schat, je moet een voorgerecht uitzoeken. Anders eten we over een uur nog niet,” reageert zij meer fluisterend dan pratend.
Richard ontwaakt uit zijn korte overpeinzing.
“Oh natuurlijk, sorry schat. Ik dwaalde even af.”
Hij opent de menukaart, waar zijn aandacht ogenblikkelijk door de visgerechten getrokken wordt. Zijn keuze is snel gemaakt.
“Ik ga vanavond voor vis,” zegt hij zonder op te kijken.
Sashimi-tonijn met limoenblad en koriander, komkommer en tomaat, leest hij.
“Ik kies de tonijn, lijkt me heerlijk. Weet jij al wat je neemt?”
“Ik open met rundvlees, die tartaar van Gasgogne-rund met mierikswortel en dragon lijkt me wel wat,” antwoordt Karin veel ingetogener dan haar echtgenoot.
Richard hoeft de ober niet eens te waarschuwen, deze registreert met een ervaren blik dat hun keuze is gemaakt en voordat de menukaarten zijn dichtgeklapt zweeft hij al naast hun tafel om met een lichte buiging en beminnelijke glimlach de bestelling in ontvangst te nemen.
“Uw eigen wijn meneer?” luidt zijn vraag naar de bekende weg.
Richard merkt nu pas dat deze ober een onbekende voor hem is.
“Ik geloof dat wij elkaar nog niet kennen?”
“Oh pardon meneer, neemt u mij niet kwalijk. Mijn naam is Brian, ik werk hier sinds een paar dagen. Ik zal u vanavond graag van dienst zijn,” antwoordt de jongen zonder van zijn stuk te zijn gebracht.
“Nou Brian, ik verheug me op onze ontmoeting,” reageert Richard, waarna de jonge bediende met een lichte nijging uit het zicht verdwijnt.
Enige ogenblikken later serveert Brian geruisloos de wijn, waarna hij de fles op het uiteinde van de tafel plaatst, een volwaardige plek als onderdeel van de grachtenuitzicht-compositie, die gaandeweg een donkerder kleurenpalet aanneemt in de vallende avondschemer. Voordat Brian zich terugtrekt vraagt deze:
“Zal ik alvast uw creditkaart meenemen?”
Even kijkt Richard op met een blik van ‘nu al?’, maar overhandigt dan achteloos het gevraagde betaalmiddel, ervan uitgaand dat dit blijkbaar een nieuwe huisgewoonte is in ‘L’air du temps’.
Het voorgerecht is zoals altijd verrukkelijk. Om de smaakpapillen ruim de gelegenheid te geven hun zinnenrijk werk te kunnen doen, eet Richard met trage bewegingen. In de ogen van Karin bemerkt hij een vergelijkbare zinsbegoocheling, een woordeloos delen van gelukzaligheid.
“Nu heb je nog steeds mijn vraag niet beantwoord,” hervat Richard na enige tijd hun eerdere gesprek. “Vind je ons levensgenieters?”
Bedachtzaam legt Karin haar bestek neer, neemt een slok van haar wijn, laat het vertrouwde vocht zacht haar tong en verhemelte prikkelen en antwoordt, na het doorslikken, met zachte fluisterstem:
“Richard, kijk nu eens naar onszelf, waar we zitten, wat we eten, deze ambiance. Als je deze verworvenheid niet met genot zou kunnen percipiëren, dan zijn wij de gradatie ‘levensgenieters’ toch niet waard?”
Oh die Karin, haar ongewone taalgebruik, zo treffend, zo verheven, zo passend bij de levensstijl die Richard ambieert; met die paar woorden bevestigt zij waarom hij ooit als een blok voor haar gevallen is. Karin is een vrouw van weinig woorden, maar als zij spreekt, raakt zij altijd de kern. Die dosering van woorden is kenmerkend voor haar persoonlijkheid, zichtbaar in al haar handelingen. Met complimenten zal zij bijvoorbeeld niet gul zijn, maar als zij er een uitdeelt teer je er dagen op, zo raak, zo warm, zo verrassend onverwacht.
Richard is een man van uitbundigheid, dat beseft hij terdege en hij weet dit in contacten te gebruiken, waardoor Richard als een joviale toegankelijke man overkomt, ook met fysieke taal: even een hand op je arm, een tikje tegen je elleboog of zelfs een arm om de schouder als laagdrempelige benadering, die nooit vervelend voelt of grensoverschrijdend. Ook een knuffel hier en daar wordt niet gemeden. Hoe anders gaat Karin hiermee om.
Op onbekenden kan zij gereserveerd overkomen, zeker ook door het vaak verheven taalgebruik dat zij bezigt. Zo creëert zij een natuurlijke afstand, waarbij Karin zich prettig voelt. Maar àls zij dan ook toenadering zoekt, voelt dat heel intens en oprecht. Richard weet dit als geen ander en hierdoor verrast zij hem telkens weer. Als Karin knuffelt of een zoen geeft, kan hij hier de rest van de dag op teren, zo intens, zo opwindend. Door dit onvoorspelbare is Richard verslaafd aan haar, dat beseft hij terdege. Karins oogopslag kan zijn dag kleuren met de woordeloze volzinnen, die hem daarin worden toebedeeld.
“Heeft u de hoofdgerechten al bekeken?” vraagt een vriendelijke vrouwenstem.
“Ha Louise, wat goed om je te zien. Nee, we gingen zo in ons gesprek op dat we nog geen keuze hebben kunnen maken. Maar waar is Brian, die nieuwe jongen?”
Louise kijkt Richard met gefronste wenkbrauwen aan.
“Heet hij vandaag Brian?” antwoordt zij.
Even valt er een korte ongemakkelijke stilte, waarin Louise zichtbaar naar woorden zoekt. Richard en Karin delen een blik van onbegrip, dan gaat Louise verder.
“Meneer en mevrouw Van Beuningen, namens de directie bied ik u onze welgemeende excuses aan. Brian heet eigenlijk Cees en is gewoon onze bordenwasser. Een heel bijzondere, zoals u inmiddels zult begrijpen. In ons restaurant ambieert hij de functie van ober, maar hij is, hoe zal ik het zeggen, enigszins apart. Bovendien heeft hij zijn opleiding nog niet volbracht en werkt zolang als bordenwasser in onze keuken.”
Richard begint te grinniken. Louise is blij dat hij zo ontspannen reageert.
“Eigenlijk kan ik er wel om lachen, ik vind het wel een stunt,” lacht Richard haar toe. “Die jongen heeft wel lef hoor.”
“Ik ben blij dat u er zo over denkt. U begrijpt dat hierover het laatste woord met Cees nog niet gesproken is. Dat zou al zijn gebeurd, maar helaas is hij nergens te vinden, vandaar. Het dessert is straks voor onze rekening,” rondt Louise af.
Al snel raakt het incident in de vergetelheid en verloopt de avond verder zoals gebruikelijk.
Tijdens het nuttigen van het lemon-meringue-taartje met zoete bosbessencompote, het lievelingsdessert van Richard, gaat op gedempte toon zijn mobiel over. Geheel tegen zijn gewoonte in neemt Richard de telefoon op. Normaal gesproken staat deze in de vliegtuigstand, omdat hij er zelf zo’n hekel aan heeft als mensen uitgebreid in een restaurant telefoneren. Het blijkt zijn creditcardmaatschappij te zijn die autorisatie wil voor een bedrag van € 10.000,-
“Excuses voor het ongemak meneer Van Beuningen, maar wij vonden het nogal vreemd dat u een voorraad dure telefoons in één keer wilde aanschaffen. Vandaar.”
Langzaam dringt de reden van Cees’ afwezigheid tot Richard door. De bordenwasser blijkt met deze ludieke actie een totaal andere droom te hebben dan hij zijn baas had voorgeschoteld.