Snippers zijn korte verhalen die maandelijks verschijnen.

Shine

Over de dag kleuren

Enige weken geleden keerde ik huiswaarts na een heerlijke vakantie in de Oostenrijkse Alpen, een steeds weer uitgestelde reis als gevolg van de coronapandemie. Eindelijk weer ouderwets bergtochten lopen, genieten van duizelingwekkende vergezichten en de fris ademende berglucht. Wat voel ik mezelf dan onderdeel van die magistrale overweldigende wereld.
Eenmaal thuis is dat gevoel, als je niet oppast, door de vakantienasleep snel verdwenen, terwijl ik me juist had voorgenomen om het zo lang mogelijk vast te houden.
Zowel van binnen als buiten vertoonde de auto duidelijke sporen van de lange reis. De kofferbak bijvoorbeeld herbergde een aanzienlijke voorraad alpengruis, veroorzaakt door steeds weer uitgetrokken bergschoenen na intensieve tochten door de nooit wennende bergen. In een lade vond ik een nog geldige bon waarmee ik tegen een aanlokkelijke prijs zowel het ex- als interieur van de auto kon laten reinigen. Normaal gesproken laat ik alleen de buitenkant wassen, maar met zo’n voordeelbon maak ik nog weleens gebruik van die totaalreiniging. Zittend op een bank met een gratis kop heerlijke cappuccino in de hand, de poetsende schoonmakers observerend, voel ik me dan een heertje. Misschien niet helemaal oké, maar ik geniet er wel van.
Deze keer werd ik door een werknemer naar binnen geloodst, die mij met zijn stralende blik en swingende tred direct boeide. Zijn diep donkere huidskleur deed een allochtone afkomst vermoeden.

“Meneerrr,” sprak hij met opvallende tongval, “wilt u de kofferbak ook gereinigd hebben?”
Na mijn bevestigend antwoord vroeg hij me die dan te openen.
“Meneerrr, ik ga jouw auto weer helemaal laten shinen,” beloofde hij mij met een brede witte glimlach. “Ondertussen kunt u zich een heerlijk kopje koffie inschenken.”
“Oh lekker. Nou, dank je wel hè,” reageerde ik oprecht gemeend, waarop de man in een vrolijke lach uitbarstte.
“Nee meneerrr, u bedankt hoor. Fijn dat we uw auto kunnen schoonmaken!” waarop hij nog enige tijd nagniffelend aan zijn klus begon.
Met zichtbaar plezier voltooide de vriendelijke man zijn werk.
“Meneerrr, wilt u soms ook nog een lekker luchtje in uw auto?” vroeg hij mij tenslotte, als bewijs een spuitbusje met citroengeur omhooghoudend.
“Lijkt me heerlijk,” antwoordde ik, waarna de man met een royale armzwaai zijn citroenlucht in mijn auto verspreidde.
“Meneerrr, ik had het beloofd: u kunt weer shinen,” sprak hij tenslotte met zijn brede glimlach, waarna hij mij een high five verkocht.

Toen ik even later in de achteruitkijkspiegel mijn eigen gezicht ontmoette, herkende ik daarin de brede glimlach van de veelzeggende werknemer, de man die mij toonde dat er weinig voor nodig is om iemands dag te kleuren en mij tot onderstaand gedicht te inspireren.

 

 

Shine

De huid zo zwart
als een diep duister gat.
Maar wat zegt huidskleur,
zij leidt slechts af.

Een lijf dat swingt,
als een dwepende danser.
Maar wat zegt lichaamstaal,
zij leidt slechts af.

Een oog zo bruin
als puur zoete chocola.
Maar wat zegt oogkleur,
zij leidt slechts af.

Zij leidt slechts af
van de feestelijke opslag,
de stralende blik
die het leven viert
en nodigt tot respect
voor gelijkheid van ziel.
Een afwijkende tongval
als sprekend bewijs:
“Shine man, shine vandaag!
Straal het leven
als cadeau voor morgen.”

Verloren rijkdom

Over lonende eerlijkheid

Uwe Strakowitz, een hardwerkende Duitser met een klein maandsalaris, maakte in een Kasselse staalfabriek als metaalbewerker lange dagen om zijn financiering van een redelijke levensstandaard bij elkaar te sprokkelen. Vijftig jaar was hij ondertussen en tevreden met het tot dusver opgebouwde leven.
De kleine woning aan de rand van Kassel had hij samen met zijn vrouw Ulrike op jonge leeftijd aangeschaft en in de loop der jaren helemaal tot hun stek omgetoverd. Vijftig, een leeftijd die velen als kantelpunt beleefden met een groot feest en een Abraham in de tuin. Aan Uwe was dit niet besteed. Hierover communiceerde hij al jarenlang als waarschuwing aan zijn vrienden en familie.
“Als jullie maar niet zo gek zijn om zo’n belachelijke opblaaspop met een bord ‘Driemaal toeteren’ in mijn tuin te planten. Daar doe je me absoluut geen plezier mee!”
Gelukkig voor Uwe respecteerden allen zijn vertwijfelde verzuchting. In geheim beraad werd besloten om hem met een passender verrassing te belonen met, naar later bleek, opzienbarende gevolgen, maar daarover straks meer.
Uwe was geen groot denker, die zich in literaire wereldbeschouwingen of reflecties verloor. Aan lezen had hij sowieso een broertje dood. Zijn enige literaire voedsel bestond uit schreeuwende reclamefolders, ingegeven door zijn eeuwige zoektocht naar voordelige salarisbesteding.
Uwe’s interesses vloeiden uit zijn praktische inborst voort. Wat hij zag konden zijn handen maken, een van jongs af aan ontwikkelde vaardigheid die hem al menig financiële besparing opleverde en zijn huis tot een waar woonparadijs had omgetoverd. Zijn hobby lag in het verlengde hiervan. Met toegewijde overgave sleutelde hij graag aan oude auto’s, niet alleen om die weer rijvaardig te krijgen, maar vooral om ze in de oorspronkelijke staat te herstellen. Vervolgens reed hij een periode trots in zo’n oldtimer rond, om hem daarna met pijn in het hart te verkopen. Het liefst zou hij zijn herboren vehikels voor zichzelf bewaren, maar ruimtegebrek noopte hem om zijn hobbykindjes van de hand te doen. Achter zijn huis bevond zich een garage met net genoeg plek om twee auto’s te reviseren. De krappe tuin bood ruimte voor twee wachtende kandidaten, waardoor dit oldtimer-herstellingsoord het uitzicht vanaf het tuinzitje volledig opeiste, een gegeven waarmee Ulrike aanvankelijk moest leren leven. Maar vanuit de veronderstelling dat een gelukkig huwelijk om geven en nemen vraagt, legde zij zich al vrij snel bij dit blikveld neer.
Menig historisch model begon onder Uwe’s bezielde handen aan een tweede leven, wat bij menig opkoper in de smaak viel. Hierdoor verwierf Uwe een gerenommeerde naam als oldtimer-hersteller.
In het eerdergenoemde geheime vrienden-en-familie-beraad werd besloten om Uwe op zijn vijftigste verjaardag te verrassen met een op te knappen oldtimer, uitbundig versierd en opgesteld in de achtertuin van zijn huis, waar juist weer een plek was vrijgekomen. Bekend met Uwe’s wens om ooit een Renault 5 Campus op de kop te tikken werd na lang zoeken een exemplaar gevonden bij een autohandelaar in Göttingen, een stadje ten noordoosten van Kassel. Voor €1200, een aankoopsom gelijk aan het ingezamelde bedrag, wisselde de oude Renault van eigenaar. De plaatsing in de achtertuin bleek nog een ingewikkelde operatie. Hoe krijg je een oud karkas zonder werkende aandrijving geluidloos op zijn plek? Midden in de nacht werd met man en macht een geslaagde poging ondernomen.
Toen Uwe de volgende ochtend de gordijnen van zijn slaapkamer opende en half slaperig de winterse schemering van zijn tuin probeerde te ontwarren, ontdekte hij een kleurige mengeling van ballonnen en slingers op de plek waar hij leegte verwachtte. Door het verhullende schemerdonker was hij niet in staat het object zelf waar te nemen. Verwachtingsvol rende hij naar beneden de tuin in, waar zijn vrouw al klaar stond om zijn uitbundig verraste reactie te filmen, als bewijs aan het geheime vrienden-en-familie-genootschap. Het zou nog wel even duren voordat deze jongen aan de beurt was, maar Uwe verheugde zich nu al op het herstelproces.
In de loop van de feestdag, zo rond het middaguur, dienden zich dwarrelende sneeuwvlokken aan, eerst als een twijfelende sneeuwbui, maar algauw tot een heuse sneeuwstorm uitgroeiend. De volgende dag waren er van de autokarkassen niet veel meer dan twee verroeste daken waarneembaar, nauwelijks boven de maagdelijke sneeuwlaag uitstekend. Bij een dumpshop, niet ver van zijn huis vandaan, kocht Uwe een uitklapbare schep, waarmee hij een poging ondernam om de auto’s uit te graven. Nadat dit grotendeels was gelukt stak hij de opgevouwen schep achter de bijrijdersstoel van de Renault 5 Campus voor het geval van herhaling.
Bij het aanbreken van het voorjaar wilde Uwe de schep uit de Renault halen om in zijn werkplaats op te bergen, toen hij met een punt achter de vloermat haakte. Na enig gesjor trok Uwe niet alleen de schep maar ook de vloermat tevoorschijn, die hierdoor gedeeltelijk omhoog krulde en de schuilplaats van een geelbruine envelop prijsgaf. Vol verbazing trok hij die tevoorschijn en met zijn grove werkmanshanden opende hij verwachtingsvol de smoezelige briefomslag, die €5000 aan contanten en een spaarbankboekje met een tegoed van meer dan €17000 bevatte, alles bij elkaar dus een waarde van meer dan €20000. Verbluft liep Uwe naar binnen en toonde de vondst aan zijn vrouw Ulrike, die hem zonder twijfel adviseerde om naar de politie te gaan om aangifte te doen.
De politie stond voor de taak om de rechtmatige eigenaar te identificeren, wat op het eerste oog een eenvoudige opdracht leek daar zowel de naam als het adres van de vermoedelijke eigenaar op de envelop stonden afgedrukt. Maar de man bleek verhuisd naar Heidekreis, een klein dorpje tussen Hannover en Hamburg. Toen de politieagenten de 69-jarige man eindelijk telefonisch bereikten, kon hij niet geloven dat zijn geld weer was opgedoken. Hij was het al vijf jaar lang kwijt, maar had geen idee waar het was gebleven. Wat bleek? De 69-jarige was de vorige eigenaar van de Renault en verhuisde vijf jaar geleden naar Heidekreis.
“In mijn schuur stonden een aantal oude auto’s, waaronder de Renault 5 Campus, die ik wilde verkopen. Omdat er dagelijks mensen proefritten maakten, heb ik in de drukte waarschijnlijk even snel het geld achter de voorstoel gelegd en ben het later vergeten,” verklaarde de man opgelucht aan de politieagenten.
Voor Uwe wierp zijn voorbeeldig gedrag vruchten af. Hij ontving een vindersloon van €2210 en dat terwijl hij in Duitsland wettelijk gezien slechts recht op €160 had.
“Ik vind het fantastisch dat meneer het geld naar de politie heeft gebracht!” verduidelijkte de man uit Heidekreis.
Zo kreeg voor Uwe de Renault 5 Campus nog veel meer waarde.

De sollicitatie

Over een staaltje misofonie

Zijn moeder had een hoop geld kunnen uitsparen als zij eerder de oorzaak van zijn aanvallen had ontdekt. Oliviers bij herhaling toegesnauwde verwijt ‘Je moet ook geen appel eten’ werd afgedaan als een onnozele mantra op momenten van woede, een nietszeggende opmerking waarachter Olivier zich blijkbaar verschool bij gebrek aan een plausibele verklaring voor het aangerichte slagveld.
Reeds op jonge leeftijd viel het Oliviers ouders op dat hij, ogenschijnlijk uit het niets zoals de bekende donderslag bij heldere hemel, kon metamorfoseren van een vredig spelend kind in een nietsontziend verwoestend monster. Olivier sprak nog geen fatsoenlijk woord, slechts peutergebrabbel ontsteeg zijn veelvuldig in beweging zijnde kindermondje tijdens fantasierijke speelmomenten, waarop dozen en kussens in woningen veranderden, bevolkt door de vele knuffels die voor dit doel vanuit zijn kamertje naar het nieuw gefantaseerde adres verhuisden. Olivier ging helemaal op in zo’n spel en verklaarde zichzelf hiermee tot medebewoner van zijn zelfgecreëerde wereld. In tegenstelling tot zijn vaak wispelturige leeftijdgenootjes kon hij, zonder ook maar een moment van verveling of afleiding, urenlang in die fantasiewereld vertoeven. Vaak mocht hij zijn geschapen werkelijkheid laten liggen tot de volgende dag om ook dan zijn kinderbestaan met zingeving te vullen. Niets bracht hem van zijn à propos tot het onverklaarbare moment van een hevige woede-uitbarsting, waarbij zijn wereld van dozen, kussens en knuffels als in een apocalyps een vernietigend einde leek te zijn beschoren. Onder schril peutergebrul vlogen de bestanddelen van zijn wereldje door de kamer, zonder acht te slaan op de vernietigende uitwerking op breekbare interieuronderdelen. Meestal snelde Oliviers moeder naar hem toe om hem in een soort houtgreep te nemen wat, ondanks zijn jonge leeftijd, niet meeviel daar hij bij zijn gespartel krachten wist te genereren die menig pijnlijke blauwe plek opleverden. Doorgaans duurde deze worsteling een minuut of twee, waarna de opstand langzaam leek uit te razen. Het lukte Oliviers ouders nooit om zich op zo’n eruptie van ongebreidelde emoties voor te bereiden, met herhaaldelijke averij tot gevolg. Als een soort compromis besloten zij tenslotte om de meest kwetsbare voorwerpen uit de kamer te verbannen in afwachting van betere tijden.
Gek genoeg vonden deze geweldsuitbarstingen tijdens de eerste twee schooljaren alleen maar thuis plaats, tot opluchting van zijn vader en moeder. Het idee om bij herhaling op school uitgenodigd te worden voor het afleggen van verantwoording over de zoveelste oorlogsontketening door de doorgaans levenslustige Olivier, lonkte niet bepaald als een aantrekkelijke uitdaging. De verklaring hiervoor vloeide voort uit de veronderstelling dat de nieuwe verleidingen van de kleutergroepen Olivier voldoende tegenwicht boden. Deze aanname werd keihard getackeld vanaf de tweede week van groep drie, waarin het woedefenomeen zich ook op school begon te openbaren, met name tijdens de eetpauzes.
De school van Olivier verschafte de kinderen gratis fruit, met om de paar dagen een ander aanbod uit de rijke variëteit aan assortiment. Niet alleen werden de bekende vruchten, zoals peren en sinaasappels, verstrekt. Vanuit het oogpunt gezond en afwisselend eten te promoten kwamen ook vruchten als avocado, mango, kruisbessen en kiwi voorbij, fruit dat doorgaans in het gemiddelde gezin niet tot de dagelijkse kost behoorde.
De eerste schoolweek maakte deel uit van het mandarijnen- en bananentijdvak, doorgaans een voor kinderen gewilde periode. In andere tijden trokken klasgenootjes nog weleens een dat-lust-ik-niet-gezicht, vanuit de motivatie ‘wat de boer niet kent dat eet hij niet’. De eerste schoolweek bleef hiervan nog gevrijwaard. Met smaak etend kroost veroorzaakt bij een leerkracht momenten van voldaanheid: de maagjes gevuld, de leerkracht in geluk gehuld.
De tweede week echter ontpopte zich als een geheel ander tijdperk. De eerste dagen, de perzikfase, kabbelden nog redelijk ongestoord voort. Echter op woensdag trad de appelperiode in. En die duurde tot vrijdag, drie dagen lang, want bekend fruit zou de kinderen in ieder geval tot eten nopen. Met grote verschrikte ogen zag Olivier de conciërge met het overrijk gevulde krat binnenkomen. Drie dagen appels, ze pasten bijna niet in de houten bak, zoveel. En allemaal groen, met slechts hier en daar een rode spikkel. ‘Kijk ons eens hard zijn’ leken ze te roepen.
Vanaf dat moment had Olivier geen aandacht meer voor de nieuwe letter die de juffrouw poogde aan te leren. Slechts een plaatje met het woordje ‘appel’ tekende zich als een schrikbeeld op zijn netvlies af, een testbeeld dat steeds meer begon te trillen en te flitsen in pijnlijk verhardende kleuren.
“Het is bijna tien uur kinderen. Vandaag is het appeltjesdag. Vinden jullie die ook zo lekker?” zalfde de juf met een suikerzoet stemmetje. “Jullie kunnen vast niet wachten totdat ik die heerlijke sappige appels uitdeel. Niet gelijk gaan eten hoor. Wacht tot iedereen heeft gekregen en dan beginnen we.”
Tot genoegen van Olivier bemerkte hij dat niet iedereen zich verheugde op zo’n overheerlijk natuurproduct, afgaand op de zure gezichten waarmee sommigen weigerden een appel uit de voorgehouden kist te nemen.
“Jammer dat je niet lust,” hoorde hij de juf standaard reageren. “Ik wil je niet dwingen, maar spijtig vind ik het wel dat je zo’n gezond stukje fruit weigert,” probeerde zij dan in een ultieme poging om de weigeraar een schuldgevoel aan te praten.
Toen het laatste kind van een appel was voorzien stelde de schooljuf zich voor de klas op en gaf een kort klapje met haar handen ten teken dat de melktandjes in de groene boomvruchten konden worden gezet. Olivier, tot de kleine groep appelweigeraars behorend, wilde met gebogen hoofd zijn oren met de handen bedekken ter afscherming voor het gevreesde knauwgeluid als startsein van een ongegeneerd vreetfestijn, een kraak-, knabbel- en kauwfeest versterkt door een twintigtal opengesperde mondholtes, onstuitbaar gevolgd door een tweede fase van smakken en slurpen en onverholen eetgeluiden. Zijn reactie kwam helaas te laat doordat een groot deel van de kinderen over een wellustige honger beschikte, die het interval tussen handgeklap en eerste hap tot tienden van een seconde reduceerde. Tot het moment waarop Olivier zijn oren effectief wist af te dekken, drong er reeds een angstwekkende kakofonie van melkgebitgeluiden zijn gehoororganen binnen als inleiding op een onvermijdelijke woede-eruptie. Hoe probaat zijn beschermpoging ook was, het bleek onontkoombaar dat de zo gehate geluiden zijn brein bereikten, met een in hevigheid toenemend schuddend, schokkend en briesend lijf tot gevolg. Het duurde geruime tijd voor de juffrouw de kenterende gemoedstoestand van Olivier signaleerde en nam deze pas waar op het moment dat hij van zijn stoel sprong en onder beestachtig gebrul om zich heen begon te maaien, daarbij met van alles smijtend, tot aan zijn eigen stoeltje toe. De grens van het empathisch toelaatbare werd al gauw bereikt toen het zitmeubeltje door de ruit vloog en in een regen van glasscherven op het schoolplein belandde.
In de dagen hierop volgend vonden meerdere gesprekken plaats tussen school en de ouders van Olivier, die uiteindelijk resulteerden in het advies om professionele hulp te zoeken.
De kinderpsycholoog die Olivier onderzocht kwam tot de conclusie dat hier sprake was van misofonie, een vorm van verminderde geluidstolerantie.
“Bij mensen met misofonie treden gevoelens van woede en walging op bij het horen van bepaalde, meestal door mensen geproduceerde, geluiden,” luidde zijn uitleg.
Olivier bleek een overgevoeligheid te hebben voor geluiden behorend bij het eten van appels. Hij ging dan volledig uit zijn plaat, waar hij overigens niets aan kon doen. Het was een aandrang waartegen hij zich niet kon weren. Een lang traject van therapie werd in het vooruitzicht gesteld met als doel woede-uitbarstingen te voorkomen en Oliviers lichtgeraaktheid op natuurlijke wijze in te bedden in zijn leven.
De belangrijkste strategie bestond uit het ontwijken van de woede-opwekkende prikkel, zoals het verlaten van een ruimte waarin een aanstaande appelverorbering zich aandiende. Alras leerde Olivier deze benaderingswijze te hanteren, evenals het herkennen van de signalen behorend bij een naderende woedeaanval. Gaandeweg leverde zijn misofonie minder problemen op en halverwege de middelbare school was zelfs niemand hiervan meer op de hoogte, daar zijn uitbarstingen vanaf toen tot het verleden behoorden.
Er bestond één trigger die eeuwig op de loer lag: onbekende en onverwachte situaties, momenten waarop Olivier veel energie in andere impulsen moest steken, waardoor zijn alertheid verzwakte. Een enkele keer overkwam hem dit. Het verschil met vroeger was echter dat hij dan pijlsnel de kamer verliet en elders zijn woede ontlaadde, bij voorkeur op een plek waar hij zo min mogelijk schade kon aanrichten.

Zijn opleiding fysiotherapie doorliep Oliver zonder problemen. Zijn studententijd in Rotterdam was eigenlijk een groot feest. Hij had het reuze naar zijn zin in die grote levendige havenstad en naast het studeren stortte hij zich enthousiast in het studentenleven, waardoor hij een grote vriendenkring wist op te bouwen. Olivier studeerde cum laude af, waarna een leven als fysiotherapeut hem toelonkte. Eerst de nodige jaren ervaring opdoen en zich dan toeleggen op sportfysio, een stille wens die hij als toegewijd sporter koesterde.
Eén van zijn vrienden maakte hem attent op een vacature bij een praktijk ergens in de binnenstad, waar hij al gauw op een sollicitatiegesprek werd uitgenodigd.
Op een druilerige najaarsmorgen begaf hij zich op zijn oude fiets richting het centrum, op weg naar wellicht zijn eerste baan. Olivier was best gespannen, maar wel op een gezonde manier, niet verlammend. Het druilerige weer maakte de lucht vochtig waardoor hij, toen hij van zijn fiets stapte, wel nat was, maar niet doorweekt. Het deerde Olivier niet, voor hem scheen de zon, gloorde de toekomst.
Het sollicitatiegesprek verliep boven verwachting en de potentiële collega liet doorschemeren dat wat hem betreft Olivier zo snel mogelijk met zijn werkzaamheden kon beginnen, uiteraard met in achtneming van de bekende proefperiode.
“Dit gesprek voelt goed, ik denk dat ik een samenwerking met je wel zie zitten,” sprak Diederik. “Wil je nog wat drinken? Dan laat ik nog iets komen. Koffie?”
Zonder een antwoord af te wachten bediende Diederik de intercom en vroeg om nog een kop koffie voor Olivier.
Het eeuwenoude pand waarin de praktijk was gevestigd kende door de jaren heen tal van uiteenlopende bewoners, waardoor er nogal wat verbouwingen en modernisaties hadden plaatsgevonden. Een euvel echter bleken de slecht sluitende deuren. Voor Diederik geen probleem.
“Dan laten we ze toch open staan, creëren we direct een open werksfeer,” was zijn motto, met als gevolg dat iedereen bij elkaar kon binnenlopen, waardoor het pand als een grote huiskamer werd ervaren. Hierdoor hoorde Olivier de medewerkster met de koffie niet binnenkomen en schrok hij zichtbaar toen zij vlak bij zijn oor sprak:
“Ik zet je koffie hier op de tafel hoor,” waarna zij de daad bij het woord voegde en verheerlijkt een grote hap van haar appel nam die ze in haar vrije hand vasthield, een daad met een verbluffende uitwerking.
Olivier zette ogen op zo groot als de knikkers uit zijn jeugd, sprong naar het bureau met de intentie om de daarop aanwezige designlamp tegen de muur te smijten, bedacht zich in een oogwenk om vervolgens onder het slaken van ijselijk rauwe kreten het kantoor uit te rennen, daarbij de hevig geschrokken dame omverlopend. De schreeuwende wervelwind, die vervolgens door het pand richting de buitendeur trok, deed passerende collega’s ontsteld omkijken. Die zagen de onbekende man door de voordeur vliegen en na een luide plons in de belendende singel verdwijnen.
Hevig overstuur kroop de koffiejuffrouw ondertussen overeind en bibberde tegen Diederik, die stijf verschrikt achter zijn bureau zat:
“Weet je zeker dat je hem wilt aannemen?”

Schatjes

Over vermeend nabuurschap

Hanna en Ralph zijn twee hardwerkende dertigers. Al vanaf hun achttiende levensjaar dragen beiden hun steentje bij op de productieafdeling van Climato, een bedrijf dat specialistische milieuvriendelijke verwarmings- en klimaatbeheersingssystemen levert. Vooral particulieren met kleine tuinkassen en kwekers in het Westland behoren tot hun klandizie. Gaandeweg heeft het bedrijf zich tot een toonaangevende leverancier ontwikkeld. Door hun klimaatvriendelijke producten en het hoogontwikkelde specialisme zijn zij niet meer uit hun branche weg te denken.
Toen Hanna en Ralph elkaar leerden kennen bestond Climato nog niet zo lang. De twee enthousiaste directeuren wisten hun producten snel af te stemmen op de steeds hogere milieueisen en de behoeften van de markt. Hanna en Ralph voelden zich direct betrokken bij de ontwikkeling van het bedrijf, dat zo tot een onlosmakelijk deel van hun leven uitgroeide, zeker ook door de horizontale manier van bedrijfsvoering.
Zowel Hanna als Ralph toonde zich op school geen student. Urenlang met hun neus in de boeken allerlei ogenschijnlijk nutteloze informatie in hun hoofd stampen werkte demotiverend en behoorde niet tot hun meegekregen talenten. Al jong bemachtigden zij tal van bijbaantjes, waardoor de voordelen van het verwerven van een, vaak schamel, inkomen vroegtijdig onderdeel uitmaakten van hun leefpatroon.
Ralph bleek een man die kennis en vaardigheden in de praktijk oppakte, geen papieren tijger dus, maar een robuuste degelijke werknemer met hart voor de zaak, die bovendien op een natuurlijke en prettige wijze met collega’s omgaat. Met een snedige kwinkslag of een aandachtig luisterend oor weet hij zijn maten moeiteloos te motiveren, een attitude die niet onopgemerkt bleef waardoor hij zich al gauw opwerkte naar een leidinggevende positie.

Het harde werken van beide echtelieden levert maandelijks een goed salaris op, waarmee Hanna en Ralph een gerieflijke levensstandaard kunnen opbouwen. Het enige jaren geleden aangeschafte riante penthouse, met uitzicht over een ruim deel van de stad en de bijbehorende haven, verleidt Ralph dagelijks tot een panorama-ervaring. Door de grote bedrijvigheid met name in het havengebied verveelt het prachtige uitzicht nooit. Zittend in zijn speciaal hiervoor aangeschafte comfortabele fauteuil, die efficiënt voor één van de glazen panelen staat opgesteld, spiedt hij, vaak turend door zijn dure Swarovski EL Range, de wijde omgeving af. Vooral ’s winters in de donkere avonduren doet hij dit, waarbij de half verduisterde stad een feeëriek en sfeervol verlicht beeld oplevert.
Hun drukke werkzame leven verhindert het onderhouden van een uitgebreide vriendenkring, waardoor de sociale contacten beperkt blijven tot een kleine selecte groep dierbaren, waarvan de instandhouding zeer consequent wordt uitgevoerd.
Het contact met de medebewoners van hun appartementengebouw bestaat logischerwijze uit slechts een vriendelijke begroeting in de lift, gekoppeld aan wat oppervlakkige algemeenheden voor zover een kort liftgebruik dit toelaat. De bewoners van de lagere etages vormen een heuse risicogroep. Zij staan doorgaans het kortst in de lift, waardoor het zomaar kan gebeuren dat bij een ontmoeting op straat of elders de personen in kwestie niet eens als buren worden herkend. Een vreemde constatering betreffende een aanzienlijke groep mensen die slechts op enkele tientallen meters van elkaar verwijderd woont.

Op een avond na een wederom intens Swarovski-genot luistert Ralph liggend in bed nog even naar ‘Met het oog op morgen’, een vast ritueel dat zo heerlijk vertrouwd de dag afsluit. Terwijl Hanna met de rug richting haar bedgenoot al langzaam onder zeil glijdt, schiet Ralph plotseling overeind. Hij spitst de oren, houdt zijn hoofd ietwat schuin gekanteld en schudt Hanna zachtjes wakker met de opmerking:
“Hé moet je luisteren.”
Hanna, juist aan haar eerste diepe slaap begonnen, schrikt armen en benen schokkend overeind en bitst scherper dan de bedoeling is:
“Wat is er nou man, ik schrik me rot. Ik viel juist in slaap!”
“Sorry, dat ging per ongeluk. Maar moet je eens …”
Ralph steekt zijn wijsvinger in de lucht, naar het plafond wijzend alsof daar het antwoord staat te lezen.
“Ik hoor niets,” mompelt Hanna met een ik-ga-weer-slapen gezicht.
“Wacht, ik zet de radio even uit. Waarschijnlijk …”
Ralph strekt zijn arm en schakelt de wekkerradio uit, waarna hij weer veelbetekenend zijn wijsvinger op het plafond richt.
Even luistert Hanna aandachtig. Dan spert zij haar ogen verder open en zegt:
“Ja, warempel. Nou hoor ik het ook. John Mayer, lekker nummer.”
“Het lijkt wel of het van beneden komt,” fluistert Ralph. “Ik heb hier nog nooit iets van de buren gehoord. Wie woont er ook alweer onder ons?”
Hanna trekt een peinzend gezicht, hiermee uitdrukking gevend aan de inspanning die het haar kost om op dit late tijdstip nog iets zinnigs te bedenken.
“Is dat niet die man alleen?” vraagt ze na wat denkwerk. “Kom, hoe heet hij nou? Zijn naam begint met een b.”
“Bas, Bob, Bert?” probeert Ralph.
“Bart, ja Bart, zo heet ie. Zo heeft hij zich ooit in de lift voorgesteld. Weet je nog dat hij toen een paar dozen bij zich had en jij voor de grap vroeg of ie ging verhuizen? Toen antwoordde hij dat zijn schatjes erin zaten. Maar voordat hij nog iets kon vertellen, was de lift al …”
Bij Ralph begint iets te dagen. Langzaam rijst het beeld van een wat slungelige leeftijdgenoot, die hen enigszins schuchter mompelend te woord stond.
“Daarna hebben we hem nooit meer gezien. Zou hij een feestje geven?” grinnikt Ralph.
“Nou ik denk het niet, dan stond de muziek wel harder …”
“Het zal wel bij deze ene keer blijven,” veronderstelt Ralph. “Slaap lekker hè.”
Beiden kruipen onder het dekbed nadat Ralph het licht heeft uitgeschakeld als inleiding op een spoedig vertrek naar andere dimensies.

Na thuiskomst zet Ralph altijd standaard muziek aan, meestal de radio maar vaak ook een van zijn lp’s. Ralph is een echte vinylfreak. Vorig jaar heeft hij een geweldige jaren-zestig-installatie op de kop weten te tikken en door een vakman, een bevriende ondernemer van een van zijn directeuren, tiptop laten reviseren. ‘Muziek is een totaalbeleving, meer dan luisteren alleen’ is zijn stellige overtuiging. Op zijn hurken voor de kast gezeten kiest Ralph dan met zorg een album uit en bekijkt op zijn gemak de vaak kleurrijke hoes aan alle kanten. Vaak bevat deze een uitklapbaar deel of een fraai uitgewerkte informatiemap, soms zelfs inclusief de volledige songteksten. Vervolgens schakelt hij de installatie in, legt de plaat voorzichtig op de draaitafel en drukt op de startknop, waarna de lp direct in beweging komt en de arm met het diamantje de juiste groeve opzoekt. De meeste lp’s verkeren nog in een uitstekende staat, waardoor de landing en het inzetten van de muziek zelden gepaard gaan met gekraak of geplof. Mocht dit toch het geval zijn, dan bewijst dit Ralphs filosofie van totaalbeleving, waardoor hij het gevoel heeft zelf een aandeel aan de muziek te leveren.
Zo ook de volgende middag. Na een volle werkdag wordt op de terugweg de AH aangedaan om voor een paar dagen inkopen te doen, die Hanna even later in de keuken uitpakt terwijl Ralph naar zijn installatie loopt om een sfeervol album uit te zoeken. Juist als hij Graceland van Paul Simon uit de kast trekt dringt het tot hem door dat de kamer niet vrij van muziek is. Vaag op de achtergrond, waarschijnlijk een etage lager, hoort hij weer John Mayers ‘Heartbrake warfare’, hetzelfde lied dat Hanna gisteren als ‘lekker nummer’ kwalificeerde.
“Han,” roept hij richting de keuken, “Hanna, luister eens? Kom eens even?”
“Wat is er, ik ben druk bezig!” moppert Hanna, terwijl zij met in haar handen twee bruine broden de kamer binnen schuifelt.
Weer heft Ralph zijn wijsvinger in de richting van het plafond.
“Hier, luister dan, beneden. Weer die muziek van John Mayer. Dat is toch raar. Er zal toch niets …”
“Ach joh, je hebt er toch geen last van, zeker niet als je zelf muziek gaat maken. Laat toch …”
Resoluut draait zij zich om en beent terug naar de keuken, hiermee aanduidend dat wat haar betreft dit onderwerp is afgedaan.
Een smaakvolle maaltijd, een aantal lp’s, een panorama-ervaring en een spannende film later besluiten beiden om naar bed te gaan. Op het moment dat Ralph zijn wekkerradio wil afstemmen op ‘Met het oog op morgen’ dringt wederom zachte muziek vanaf de benedenetage de slaapkamer binnen.
“Nou hoor ik nog steeds muziek,” gromt Ralph tegen Hanna die juist met een groen gezichtsmasker uit de douche komend een mislukte imitatie van de Hulk uitprobeert.
“Alweer?” vraagt zij het bed instappend. “Toch wel vreemd hè. Nooit horen we iets van hem en nu maakt Bart een dag lang muziek. Heel vreemd … Bel anders even bij hem aan en vraag of alles goed is.”
“Nu nog? Ik heb mijn pyjama al aan. Ik kan toch niet …”
“Joh, doe niet zo ingewikkeld. Trek je ochtendjas dan aan. Wordt die ook eens gebruikt.”
Met tegenzin zoekt Ralph zijn badjas op, trekt hem over zijn pyjama aan en sloft op zijn slippers de kamer uit.
Uit angst iemand op dit late uur te ontmoeten, neemt hij de trap in plaats van de lift.
Het moet toch een vreemde aanblik geven om een buurman in zijn ochtendjas met de lift naar beneden te zien gaan … Daar komen alleen maar praatjes van, denkt Ralph.
Langer dan gebruikelijk drukt hij op de bel van zijn onderbuurman. Diep in het huis weerklinkt het elektronische belmelodietje dwars door de nu duidelijk waarneembare muziek. Er volgt geen reactie. Ralph herhaalt enkele malen zijn poging om buurman Bart te bereiken, geen resultaat.
“Misschien in slaap gevallen,” mompelt hij zachtjes voor zich uit, waarna hij de trap weer naar boven neemt en voor zichzelf besluit er verder geen aandacht meer aan te schenken.

Als Ralph de volgende morgen ontwaakt ontstijgt de zachte achtergrondmuziek volhardend Barts woning.
“Nou hoor ik nog steeds muziek uit het appartement van die Bart,” zegt hij tegen de beslagen douchedeur waarachter vaag het silhouet van Hanna’s lichaam is waar te nemen.
“Ik kan je moeilijk verstaan, we hebben het er zo over, ja?” roept Hanna boven het geraas van het neervallende douchewater uit.
Na het ontbijt loopt Ralph nogmaals naar beneden en drukt geruime tijd met ritmische onderbrekingen op de bel van zijn onderbuurman in de hoop hem zo te bereiken. Geen enkel resultaat. Ralph wordt nu toch oprecht ongerust.
Hanna deelt even later zijn vrees vanuit een onuitgesproken vermoeden Bart levenloos op de vloer van zijn appartement te zullen vinden.
Ralph besluit het noodnummer te bellen. Korte tijd later verschijnt een kleine politiemacht van vijf agenten door de geopende liftdeur. Een korte samenvatting van Ralphs ervaringen is voldoende om een stormram ter hand te nemen en daarmee de voordeur te forceren. De gebeurtenissen volgen elkaar nu snel op. Voorzichtig betreden de agenten de woning door de opengebroken deur. Ralph en Hanna lopen op gepaste afstand achter de groep mannen aan die systematisch een voor een de vertrekken controleert. Als laatste wordt de ruime woonkamer betreden: geen spoor van Bart. Wel klinkt er duidelijk hoorbare muziek uit de zichtbaar dure geluidsinstallatie. De agenten verzamelen zich en kijken elkaar niet begrijpend aan.
“Niets te vinden, geen spoor van de bewoner,” zegt een van hen, waarna hij zich omdraait om de woning weer te verlaten, terwijl een collega zich naar de versterker begeeft om de muziek uit te schakelen. Op dat moment verschijnt er een vrouw van rond de dertig in de deuropening. Haar met stijl blond haar omlijste gezicht straalt opperste verbazing uit, zelfs ontsteltenis, een nauwelijks bedenkbare blik, slechts te produceren in een staat van opperste verbijstering. Allen kijken haar verwachtingsvol aan, terwijl de vrouw nauwelijks hoorbaar stamelt:
“Wat is hier aan de hand?”
“Goedemorgen mevrouw, mag ik vragen hoe u heet en wellicht kunt u vertellen waar de bewoner van dit pand zich bevindt?” reageert de hoofdagent.
“Ik, ik ben Eva, een collega van Bart. Hij uh …”
“Bart is de bewoner neem ik aan? Kunt u mij vertellen waar hij zich momenteel bevindt en waarom er permanent muziek ten gehore gebracht wordt?”
“Oh, juist uh … Ik denk dat ik het begin te begrijpen. Mag ik even gaan zitten? Ik ben nogal geschrokken, ziet u?”
Eva loopt onzeker het appartement binnen, maar in tegenstelling tot haar verzoek loopt zij naar het einde van de kamer en kijkt om de hoek van een muur, waarachter zich blijkbaar nog een ruimte bevindt, een soort inloopkast maar dan zonder deur. De hoofdagent loopt hoopvol achter haar aan. Tegen de muur van de juist ontdekte ruimte staan drie levensgrote kooien op elkaar gestapeld. De benadering door Eva doet een intens hoog gepiep aan de dierverblijven ontstijgen. Drie prachtige uit de kluiten gewassen cavia’s richten zich op tegen de traliewanden, daarbij hoopvol snuffelend en piepend in de richting van Eva, die ondertussen weer enigszins tot bedaren komt.
“Hé schatjes, daar ben ik weer. Ja, jullie krijgen zo eten, rustig maar. Ik moet even met deze mensen praten.”
Hierna draait zij zich om en gaat alsnog op een stoel aan de eetkamertafel zitten.
“Kijk, ziet u, zoals ik al zei: ik ben een collega van Bart. Die cavia’s zijn z’n schatjes. Daar heeft hij alles voor over. Hij adoreert die beestjes gewoon, zelfs zo erg dat hij nooit op vakantie gaat. Wie gaat er nou nooit op vakantie? Zeg nu zelf, heren, een mens kan toch niet zonder vakantie, je moet er zo af en toe toch tussenuit?”
Om haar stelling te onderstrepen heft Eva haar schouders, waarbij ze met een vragend gebaar haar beide armen opzij spreidt.
“Nou, dat heb ik meerdere malen tegen Bart gezegd, dat hij er eens tussenuit moet gaan. Uiteindelijk heb ik hem zover gekregen, onder voorwaarde dat ik iedere dag voor zijn schatjes zou zorgen. Bart heeft een veertiendaagse reis naar Thailand geboekt. Dat is een hele stap voor hem, geloof dat maar. Toch vond hij het evengoed zielig dat die beestjes de hele dag alleen zouden zitten. Toen heb ik voorgesteld om de muziek aan te zetten, waarmee hij uiteindelijk akkoord ging. Maar ik begrijp dat het geluidsniveau iets te enthousiast was. Weet u wat? Ik zal de radio een stuk zachter zetten en die deur, ach, Bart heeft geld zat. Die laat ik vandaag wel weer repareren. In ieder geval bedankt voor uw bezorgdheid,” besloot zij meer in het algemeen dan zich specifiek op een enkele persoon richtend.
Hanna en Ralph besloten om na zijn terugkeer toch maar eens kennis te maken met hun onderbuurman.

Melk en honing

Over geloof in de toekomst

Dit keer geen kort verhaal maar een stuk poëzie, ingegeven door de schrijnende strijd in het Midden-Oosten.

 

Melk en honing

Haten, fanaten
met taal van soldaten,
herhaalde citaten
met eeuwig motief.
Macht als verslaving,
een eenheidsbeschaving
van grenzenhandhaving
en geen ‘ik heb lief’.

‘t Heelal toont geen grenzen.
Een wereld van mensen.
Ten diepste te wensen:
een nieuw perspectief.
Geen dit jouw of mijn,
maar ‘jij mag er zijn’
op elk terrein.
Dus word creatief!

Het wezen van mensen
kent mondiaal wensen,
gelijke tendensen
van zin en gevoel.
In oorsprong gelijken,
geen armen of rijken.
Niets zal ons doen wijken:
één mensheid, één doel.