Snippers zijn columns of korte verhalen die maandelijks worden gepubliceerd

 

Gewoon beginnen

Over een simpele levenswijsheid

Sinds kort ben ik met pensioen.
De laatste tijd krijg ik opvallend vaak goedbedoelde hints van ervaringsdeskundigen toevertrouwd.
“Ik snap niet dat ik nog gewerkt heb! Ik heb het nu veel drukker,” is er zo een.
Ja, denk ik dan, maar je bent wel druk in je eigen tempo en dat maakt een groot verschil.
Hoe vorm ik een beeld van een situatie die ik nog niet eerder heb meegemaakt? Als ik nog nooit in echte armoede heb geleefd, als ik werkeloos word, als mijn huis afbrandt of het in oorlogstijd moet ontvluchten, als ik de tijding van een ongeneeslijke ziekte krijg of als een dierbare komt te overlijden, als ik nog nooit een coronacrisis heb meegemaakt, hoe stel ik me dat voor?
Of om een luchtiger verwachting te scheppen: welk beeld heb ik van mijn nieuwe baan of mijn eerste relatie of mijn pensioen? En hoe is het om voor het eerst vader te zijn?
Als de dag van gisteren zie ik me tweeënveertig jaar geleden naar het gemeentehuis fietsen om mijn dochter bij de burgerlijke stand aan te geven. Nog voel ik de verbijstering na de constatering dat het leven gewoon doorging, dat niemand aan me zag dat ik vader was geworden. Ook de matte handelwijze van de gemeenteambtenaar droeg hieraan bij, door routineus mijn gegevens op te vragen om ze daarna in de gemeenteregistratie te kunnen opnemen.
Hallo! Ik ben vader geworden hoor! Dat zie je toch wel aan me? hoor ik mezelf nog denken.
En alsof de man mijn gedachten kon lezen, keek hij me lijdzaam aan onder de vermelding:
“Nou meneer, van harte gefeliciteerd dan maar.”
In 1979 werd ik uitgenodigd voor een pensioeninformatiebijeenkomst (mooi scrabblewoord) toen ik, na het afronden van mijn studie en het vervullen van mijn dienstplicht, een jaar of twee werkzaam was bij mijn toenmalige werkgever. Het langdradige verhaal over dienstjaren, pensioenfondsen en bijverzekeren was slecht aan mij besteed, al deed de consulent nog zo vasthoudend zijn best. Mijn gedachten dwaalden permanent af, één grote ver-van-mijn-bed-show. Ik had nog zo’n veertig hopelijk mooie jaren te gaan en barstte van de ambitie: dankzij mij zou mijn functie een rigoureuze metamorfose ondergaan, ik ging historie schrijven. Pensioen stond voor mij gelijk aan grijze haren en pantoffels, rollators en wandelstokken, kunstgebitten en gehoorapparaten. Niet bepaald de stimulatoren voor een wereldverbeteraar.
In mijn laatste studiejaar nam ik deel aan een studieweek in een vormingscentrum te Bloemendaal, een pittoresk dorpje nabij het Noordzeestrand. We deelden het immense historische pand met een groep aspirant pensionado’s, die een meerdaagse cursus ‘Hoe vul ik zinvol mijn pensioentijd’ door hun vakbond kreeg aangeboden. Ik kon me daar helemaal niets bij voorstellen.
Moet je daarvoor een cursus volgen dan? hoor ik mezelf nog vol ongeloof afvragen. De kandidaten schilderden, knutselden, discussieerden en bridgeden er heel wat op los. Het doel was om ze op aantrekkelijke tijdsbestedingideeën te trakteren. Of ze van een andere planeet kwamen! Dat kunnen ze toch wel zelf bedenken, was mijn stellige overtuiging. Welke levensbestemming hadden zij voor ogen als het aanzetten tot een gezelschapsspelletje dè ultieme uitkomst van een cursus was?! Sturm und drang vulden mijn jonge leven en lieten geen ruimte voor banaliteiten.
Elke volgende levensfase vraagt als het ware om het opnieuw uitvinden van jezelf, om hergeboorte, zoals ik als vader werd geboren na het horen van het eerste welkomsthuiltje van mijn dochter. Ik bleek over onbekende talenten te beschikken, waarmee ik mezelf keer op keer verraste. Dat maakt zo’n periode tot een boeiende ontdekkingsreis met onverwachte wendingen, adembenemende vergezichten en schemerachtige diepe dalen. Het is overigens geen tocht in het wilde weg, op de bonnefooi. Onderweg kom ik met regelmaat oriëntatiepunten tegen, boeien waarop ik me kan richten of die mij tonen welke richting ik moet inslaan. En heel vaak bestaan die bakens uit eenvoudige voorgeleefde levenswijsheden.
Zo ontmoette ik vele jaren geleden een boeiende, al op leeftijd zijnde vrouw. De situatie was nogal confronterend daar zij in een gigantische huilbui uitbarstte, een huilexplosie die ik niet zag aankomen. Schokschouderend verklaarde ze tussen enige stortbuien door dat haar man enige weken geleden plotseling was overleden.
“En vorig jaar hebben we nog ons vijftigjarig huwelijksfeest gevierd,” hakkelde zij, hiermee een nieuw regenfront aankondigend.
Ik vind het standaard lastig om adequaat op dit soort omstandigheden te reageren. Ik had juist besloten om een troostende arm om haar schouder te slaan, toen de regenbui net zo plotseling als zij begonnen was, stopte.
“Zo, klaar nu,” verzuchtte ze zichtbaar opgelucht. “Wat fijn dat ik even bij je mocht uithuilen, dat helpt wel hoor. En nou geen gezeur meer, het leven gaat verder en ik ga niet bij de pakken neer zitten. Wil je een kopje koffie?”
Verbluft door dit toonbeeld van jezelf beet durven pakken, stemde ik in met de opmerking: “Ja graag, lijkt me lekker.”
Een ander voorbeeld van een oriëntatiepunt kwam ik tegen in het blad ‘Vandaag’, een magazine over zingeving en levenskunst. In haar column ‘Doe maar alsof’ deelt Christa de Wit haar ervaringen met Mientje, een hoogbejaarde vrouw die zij regelmatig in haar kledingatelier ontving. Mientje had een wat sjofele uitstraling, duidelijk het gevolg van de veel te lang gedragen kleding. Haar overjas was op een aantal punten gerepareerd. Boven de smalle voorovergebogen schouders prijkte een vriendelijk stralend hoofd, dat getekend was door de overmatig aanwezige rimpels en omlijst werd door keurig opgestoken grijs glanzend haar, dat getuigde van een lange levenservaring.
Mientje beschikte over een aanstekelijk enthousiast en blijmoedig karakter, alhoewel haar verhalen niet getuigden van een gemakkelijk leven. Op de vraag hoe zij dit toch deed, antwoordde ze:
“Doe maar alsof. Weet je, ik sta echt niet iedere dag vrolijk op. Er zijn dagen dat ik het liefst in mijn bed zou blijven liggen met de gordijnen potdicht. Maar juist op die dagen speel ik dat het de mooiste dag van mijn leven is. Dan trek ik mijn mooiste jurk aan, besteed ik extra tijd aan mijn haar en smeer ik blosjes op mijn wangen. Zo ga ik dan op pad. Ik ben vrolijk tegen iedereen en weet je wat nu het geheim is? Ik ontmoet op zo’n dag alleen maar vriendelijke en behulpzame mensen. Als ik dan weer thuis kom voel ik me blij en voldaan. Zo eenvoudig is het. Probeer het maar eens, zou ik zeggen.”
De Mientjefilosofie is ondertussen een deel van mijn leven geworden. Het is blijkbaar mogelijk om dingen over me af te roepen. Meestal ben ik geneigd om dit in het negatieve te trekken.
“Dat heb ik aan mezelf te danken,” hanteer ik vaak om te verduidelijken dat iets mijn eigen schuld is. Mientje laat me zien dat het omgekeerde ook waar kan zijn, dat ik omstandigheden kan beetpakken, ook al heb ik er van nature geen zin in. Doe maar alsof, niet om te huichelen, maar om me te stimuleren het beste uit mezelf te halen. Begin er maar mee, dan komt het goede soms onverwacht op je af.
Mijn vriend Bram deelde alweer enige tijd geleden een ervaring die hij in een klooster opdeed. Ooit ging hij voor een week in retraite bij een kloosterorde ergens in Nederland, een fantastische manier om helemaal los te komen van je wereld en in contact te kunnen treden met het diepste in jezelf. In de avonduren voerde hij boeiende gesprekken met de weinige monniken, die het statige pand bewoonden. Eén zo’n gesprek liet een onvergetelijke indruk na door haar wijze eenvoudige boodschap.
De monnik vertelde dat hij in zijn jonge jaren werd uitgezonden naar Curaçao om daar technieklessen te geven, zonder enige onderwijservaring overigens. De klas bevatte ongeveer vijftig jongeren in de leeftijd van rond de vijftien jaar, waarvan vijfenzeventig procent slechts het Papiamento als voertaal beheerste. Een behoorlijke uitdaging zogezegd. Op de voor de hand liggende vraag hoe hij dit deed, antwoordde hij met de onvergetelijke woorden: “Ik ben er gewoon aan begonnen.”
Simpel doch uitermate ambitieus en ook wijs. Want wie moet het anders doen? De beste stuurlui staan aan wal, ik ken dat van mezelf en ondertussen gebeurt er helemaal niets.
Gewoon beginnen, als een simpele levenswijsheid. Sinds kort ben ik met pensioen. Ik ben er maar gewoon aan begonnen.

Coronatypes

Over menselijkheid ten tijde van crisis

Het zijn onzekere tijden.
Nog nooit eerder viel de Nederlandse voordeur in een stevig virusslot en werden de bewoners in ongekende mate teruggeworpen op zichzelf en elkaar. Zekerheden blijken schijnveiligheid en leveren schrijnende verhalen op. Een korte ontmoeting met een buurtbewoner, uiteraard op minimaal anderhalve meter afstand, illustreert dit. Aan het einde van de dag tref ik hem tijdens mijn dagelijkse blokje-om op zijn balkon, genietend van de ondergaande zon. Na een korte begroeting en een paar standaard openingsvragen vertelt hij mij juist vandaag te zijn ontslagen.
“Ik was al een tijdje niet meer tevreden met mijn baan, ik werd mij steeds meer bewust van een groeiende onvrede en een verlangen naar een job change. Ik wilde andere verantwoordelijkheden. Kort voor de corona-uitbraak heb ik die wissel genomen en vol enthousiasme ben ik de nieuwe uitdaging aangegaan. Helaas kreeg ik na twee weken, toen de crisis in volle hevigheid losbarstte, te horen dat alle werknemers met een tijdelijk contract werden ontslagen. En hier zit ik dan …”
Een schrijnende getuigenis van de alom rond graaiende virustentakels. Dit gaat verder dan angst over gezondheid.
Toen de Nederlandse voordeur nog open stond, kon ik met genoegen op een terras mensen observeren. Ongewild verdeelde ik passanten daarbij over hokjes, afgaand op uiterlijk en vooral gedrag.
Kijken naar anderen doe ik nog steeds graag, al kan dit voorlopig niet vanachter een koel witbiertje in de stad. Aan de hokjesvisie ontkom ik nog steeds niet, hoewel haar aard overeenkomstig deze rare tijd wel verandert. Mensen hanteren de opgelegde omstandigheden op geheel eigen manier en verrassenderwijze openbaren zich tot nu toe onbekende types.
Zo heb je het ik-ontvlucht-mijn-huis type. Dit zijn veelal dertigers of veertigers die de hele dag zitten opgescheept met partner en kinderen, terwijl zij van huis uit moeten werken en ook nog geacht worden hun kroost te begeleiden bij het schoolwerk.
In de jaren zeventig bracht Bert Haanstra de film ‘Bij de beesten af’ uit, een humoristische registratie van dagelijkse menselijke gedragspatronen. Daarbij bleken dierlijke en menselijke gedragingen vaak feilloos in elkaar te passen. Een rattenexperiment maakte diepe indruk. In een kooi leefde een groepje ratten onder ideale omstandigheden; genoeg ruimte, voedsel en vertier, een rattenluilekkerland. In een ander hok met dezelfde afmetingen bestond het aantal ratten uit een veelvoud, wel dezelfde hoeveelheid voedsel en vertier, gelijke omstandigheden dus. Niks rattenluilekkerland; de diertjes werden hyperactief en agressief, ze gunden elkaar het licht in de ogen niet, eigen volk eerst, en stonden elkaar letterlijk naar het leven. Kannibalisme werd niet geschuwd, waardoor zij zich niet als ratten vermenigvuldigden maar zich juist decimeerden.
Nu gaat de vergelijking van de ik-ontvlucht-mijn-huis types met kannibalen mij wel erg ver, maar het beeld van Bert Haanstra’s film doet mij wel realiseren wat er van jonge gezinnen in deze tijd wordt gevraagd.
Een andere categorie bestaat uit het stel-je-niet-aan-het-is-maar-een-griepje type, dat vooral in het beginstadium een rijke voedingsbodem ontwikkelt. Aangezet door beelden uit verre oorden rijpt de overtuiging dat de soep niet zo heet wordt gegeten als zij wordt opgediend. Een ver-van-mijn-bed show die ongetwijfeld ons land niet zal bereiken. Mocht dit per vergissing toch gebeuren, dan geen paniek. De verschijnselen komen overeen met die van een gewoon griepje; even flink snotteren en wat keelpijn en we hebben het nergens meer over. Zelfs een aantal bekende Nederlanders denkt met het schaamrood op de kaken terug aan hun al te enthousiast geposte videoboodschap, alsof de realiteit zich laat beïnvloeden door onderbuik uitspraken en ongefundeerde waarheden. Als de ernst van de situatie al snel wordt onderstreept met een intelligente lockdown en wereldwijd zelfs met menig complete lockdown, houden zij zich vervolgens verdacht stil, op een enkele president met een dubieuze reputatie na, zoals Bolsonaro of dichter bij huis Loekasjenko.
Een hieraan verwante soort is het voor-mij-geldt-het-niet type, doorgaans verkleed als wielrenner of hardloper. Voor deze categorie wil ik toch een serieus NL-alert uitzetten. Begeef ik mij tijdens een verfrissende ochtendwandeling of fietstocht, de anderhalve-meter-maatschappij respecterend en al mensen-slalommend door de landerijen van voorjaar kleurend Nederland, dan loop ik het risico door een met spoed naderende groep wielrenners of hardlopers gedwongen te worden de berm in te vluchten, omdat de druk converserende groep geen centimeter wil wijken voor de anderhalve meter afspraak. Doe ik een moedige poging om breeduit zo lang mogelijk een rechte baan te volgen, dan levert dit verontwaardigd gemopper en zelfs gescheld op, waardoor ik een volgende keer toch maar eieren voor mijn geld kies door naar de berm uit te wijken.
Naast al deze bagatellisering bestaat ook het type paranoïde-buurvrouw. In iedere buurt woont er wel een, het type mens dat plotseling uit het straatbeeld verdwijnt na zich in de eigen woning te hebben gebarricadeerd. Een persoonlijke lockdown met vergaande desocialiserende gevolgen. De anderhalve meter is niet voldoende, totale afzondering wordt als heilzaam ervaren, als een beer die zich terugtrekt voor zijn winterslaap.
Er bestaan lichtere variaties van dit type, zoals onlangs door mij waargenomen vanaf mijn balkon tijdens een momentje relaxen in de voorjaarszon. Die sluiten zich niet op in volledige afzondering, maar reageren als de hond van Pavlov op iedere aan corona verwante uiting. Een waakzame moeder realiseerde zich dat het ondoenlijk is om een beweeglijk kind de hele dag aan huis te binden en liet haar telg spelen in het plantsoen onder mijn balkon. Steeds als haar dochtertje een geluid produceerde dat ook maar enigszins verwant leek aan een kuchje of hoestje, ontlokte dit standaard de snauw als-je-hoest-krijg-je-klappen-meisje.
Gelukkig realiseer ik mij dat de meeste van deze spraakmakende types tot een minderheid behoren. Zij vallen qua aantal in het niet bij de soort die zich onvoorstelbaar soepel aan wijzigende omstandigheden weet aan te passen: het nieuwe-normaal type. Ze bevinden zich overal waar de eerdergenoemde types gedijen en bieden een creatief tegenwicht. Op straat zijn ze herkenbaar aan de soepele en vanzelfsprekende manier waarmee zij de anderhalve meter respecteren, ogenschijnlijk onachtzaam en de ander bovendien vriendelijk groetend. Zij zoeken bij voorkeur geen plekken op met al te veel risico’s, maar kunnen zij hieraan niet ontkomen bijvoorbeeld vanwege werkzaamheden, dan nemen zij de nieuwe normen probleemloos in acht. Zij zijn ook oprecht van plan om niet meer terug te vallen in oude gewoontes, omdat zij het grote voordeel van sociaal respect hebben herontdekt. Groepen als het ik-sta-voor-je-klaar type en de ik-maak-er-wat-van ondernemer behoren tot het nieuwe-normaal en dienen zich steeds nadrukkelijker aan.
Mirthe is zo’n iemand. Haar verhaal las ik op de website indebuurt.nl. Mirthe is modeontwerpster met een eigen atelier. In deze moeilijke tijd verdwijnen haar deadlines en ontstaan er ‘birthlines’, nieuwe ideeën die zich laten realiseren in de nieuwe tijdruimte. Zo wil Mirthe haar winkel van offline naar online verplaatsen.
“Zo spannend, misschien is dit wel een gat in de markt. Ik heb speciaal voor nu een aantal fijne ‘ik blijf t-huispakken’ gemaakt die ik online ga verkopen.”
Daarnaast wil ze een project ‘Draag je verhaal’ uitwerken, een collectie van duurzame materialen geïnspireerd op bijzondere levensverhalen.
“Tijd voor verandering, herwaardering van de dingen die we inmiddels zo gewoon zijn gaan vinden,” benadrukt zij bevlogen. “Mensen doen nu liefdevolle dingen. Ikzelf heb afgelopen week gekookt voor dak- en thuislozen. Ook na deze gekke tijd zal ik dit blijven doen. Ik hoop dat deze crisis iets verandert in de maatschappij en dat we in plaats van tegen elkaar, er vanaf nu meer met én voor elkaar zullen zijn.”
Wie kan het nu nog oneens zijn met Mirthe, vraag ik me af. Ik in ieder geval niet.

Het meisje Corona

Een sprookje over vleermuizenwraak

Heel ver hier vandaan, in het immens grote land China, woonde een klein lieftallig meisje dat Corona heette. Ze leefde samen met haar ouders dicht bij de grote stad Wuhan. Aan het einde van de dag als de zon besloot dat het bedtijd werd en traag zijn oranje-rode pyjama aantrok, zette Corona zich vaak op het smalle houten bankje voor haar kleine boerenwoning om te genieten van het kleurrijke slaapritueel. De schemering, een heel goede vriend van de zon, wenste hem algauw welterusten door alles met een duistere kleur te beroeren, waardoor de wereld rustig en slaperig werd in een betoverende gloed. Behalve de vleermuizen, die trokken zich niets aan van de schemering omdat zij een vriend hadden die nog invloedrijker was: de nacht. Zodra de schemering de zon kwam toedekken, schoten zij van alle kanten tevoorschijn als bliksemschichten op een negatief. Hun grillige vliegpatronen tekenden zich donker flitsend af tegen de oranje-rode horizon.
Steeds weer raakte Corona geïmponeerd door dit kleurrijke spel en vroeg zich af waar die magische fladderaars overdag verbleven.
Misschien bewonen zij een sprookjeskasteel of leven overdag onder de grond omdat zij niet van het daglicht houden! fantaseerde Corona.
Net zo plotseling als zij tevoorschijn schoten verdwenen de vleermuizen weer, alsof zij niet tot deze wereld behoorden.
Op een avond zette haar vader Shoahan zich naast haar op het bankje om mee te genieten in de magische sfeer van de naderende nacht.
“Papa, houd jij van vleermuizen?” vroeg zij na een lange pauze waarin de natuur steeds zachter fluisterde, alsof zij de adem inhield in afwachting van de eerste fladderaar.
“Waarom vraag je dat, Corona?”
“Nou, ik vind ze zo geheimzinnig. De geit in de schuur houdt van de dag en vindt het fijn als ik haar aandacht geef. Ze schuurt zich blij tegen me aan, vooral als ik brokjes eten in mijn hand houd. Van haar melk maak ik heerlijke geitenkaas. De ezel verheugt zich ook op de morgen. Als ik buiten kom roept hij al balkend mijn naam en vindt het fijn om spullen voor me te sjouwen. Ook de koe ziet me graag overdag. Dankbaar schenkt ze me een dampende emmer melk, waarmee ik de bekers tijdens de broodmaaltijd kan vullen. Alle drie helpen ze ons mee om te overleven en wij zorgen goed voor hen.
Maar van de vleermuizen krijg ik geen hoogte. Als iedereen gaat slapen komen zij tevoorschijn en om ze te zien moet je heel stil zitten, anders schrikken ze en vliegen ze weg. Zij houden niet van de dag, maar juist van de nacht en hoe helpen zij ons om te overleven? Ik weet niet eens waar ze wonen. Ze lijken wel betoverd; ineens verschijnen en verdwijnen ze.”
Vader Shoahan keek zijn dochter bedachtzaam van opzij aan. Steeds weer verbaasde hij zich over haar vragen die hem aanspoorden tot nadenken, waardoor niets vanzelfsprekend leek.
“Ik weet waar zij wonen, de vleermuizen,” mompelde hij na een tijdje voor zich uit.
“Wat zeg je nou?”
“Ik weet waar de vleermuizen overdag verblijven,” antwoordde Shoahan iets nadrukkelijker.
“Echt? Echt waar pap? Waar dan? Toe zeg het mij?”
“Dat laat zich moeilijk uitleggen, maar ik wil het je wel laten zien. Tenminste, als je ver wil lopen en heel goed kunt klimmen.”
“Natuurlijk, natuurlijk kan ik dat. Oh papa, dat lijkt me geweldig. Morgen? Gaan we morgen kijken?”
Dat leek Shoahan een goed idee en Corona kon niet wachten tot het zover was.
De volgende ochtend gingen ze al vroeg op pad, natuurlijk nadat eerst de koe en de geit waren gemolken. Ze volgden een pad dat de bergen inliep en algauw moeilijk begaanbaar bleek door de vele gladde stenen waarop hun schoeisel moeilijk grip had. Hoe meer ze stegen hoe smaller het pad werd. Naast hen gaapte een diep ravijn dat boosaardig prachtig glimlachte. Uitglijden was geen aantrekkelijk vooruitzicht. Gelukkig kende haar vader de gevaren van de bergen en had zijn dochter met een stevig touw om zijn middel gezekerd. Van tijd tot tijd hielden beiden halt om uitgebreid om zich heen te kijken. Op die momenten hield het ravijn zich in en glimlachte een stuk vriendelijker naar hen. Corona genoot van het overweldigende vergezicht.
Na een vermoeiend uur klauteren verscheen er plotseling om een hoek van de berg een reusachtige grijs grauwe rotspartij.
“Daar moeten we heen,” wees Shoahan met zijn wijsvinger.
Een inspannend kwartier later bereikten vader en dochter een donkere spelonk die toegang verschafte tot het innerlijk van de berg.
“Wonen hier de vleermuizen papa?”
“Sst,” klonk het dwingende antwoord.
“Overdag slapen de vleermuizen, zij vinden het niet fijn om gestoord te worden. Zachtjes doen!”
De ingang van de grot ging verscholen achter een groene sliertige dradenmassa.
“Het lijkt ons vliegengordijn wel,” fluisterde Corona. “Of nee, een vleermuizengordijn.”
Shoahan glimlachte, terwijl hij zijn dochter wenkte om verder te lopen. Voorzichtig werkten zij zich door de groene plantenvitrage heen. Hun ogen moesten wennen aan de vreemde duisternis van de grot. Shoahan wees naar het hoge plafond dat vol hing met donkere pakketjes die af en toe schokkerig bewogen. Toen Corona’s ogen gewend raakten aan de mystieke schemering herkende zij de vleermuizen die sliepen met hun hoofd naar beneden. Zij slaakte een niet te onderdrukken gilletje van opwinding, dat in het holle gewelf de uitwerking had van een schreeuwende klas kinderen. Verschrikt tuimelden tientallen bosjes vleermuis naar beneden om met een plof op de rotsachtige bodem te belanden. Een aantal kroop overeind en probeerde weg te fladderen, wat voor een vleermuis een bijna onmogelijke opgave bleek. De meesten bleven roerloos liggen om naar verwachting nooit meer op te krabbelen. De massa aan het plafond kwam bruusk in beweging en als een friemelende kluwen dwarrelde zij oneindige stromend in de richting van de uitgang. De grot bleek dieper dan diep en de aanzwellende massa verdreef onder een hoog snerpend gepiep het weinige daglicht. Corona en haar vader krompen verschrikt ineen om zo de laag overscherende lichamen te ontwijken.
“Hier krijg je spijt van,” leek de fladdermassa te tjilpen, maar dat was natuurlijk verbeelding.
Uren leek dit intimiderende vertrek te duren, uren die slechts minuten bleken. Eindelijk keerde het schemerachtige daglicht weer. Shoahan en zijn dochter glibberden zo snel mogelijk naar buiten en eenmaal in het volle licht schrok Corona van de desolate aanblik van haar vader.
“Pap, wat zie je er uit! Je zit helemaal onder de drek.”
En inderdaad. Shoahan bleek geheel overdekt met een onaangenaam riekende laag uitwerpselen.
“Heb je jezelf al gezien?” antwoordde Shoahan.
Ook Corona werd niet gespaard door het woedende vleermuizenvolk.
“Dat ziet er niet best uit,” mompelde Shoahan.
“We kunnen ons thuis toch wassen?”
“Dat bedoel ik niet. De vleermuizen zijn boos, laaiend. Dat weet ik omdat zij de grot hebben verlaten. Dat doen zij overdag nooit.”
Zwijgend aanvaardden zij de terugtocht, die verrassend sneller verliep dan verwacht. Thuisgekomen probeerden beiden de drek van hun lijven te wassen. Maar wat ze ook probeerden, de doordringend riekende herinnering liet zich niet verwijderen.
Die avond vergat de zon zijn oranje-rode pyjama aan te trekken, wat Corona met een onbestemd gevoel naar bed deed gaan.
De volgende ochtend vroeg al bereikten de eerste veronrustende berichten hun anders zo rustige boerderij. Een aantal inwoners van Wuhan, de drukke stad even verderop, was onthutst hun woonplaats ontvlucht.
“Het was verschrikkelijk,” vertelden zij. “Midden overdag verliet het daglicht ons zoals bij een zonsverduistering en wie niet snel genoeg zijn huis binnenging werd bedolven onder een smerig stinkende laag drek.”
De stadsbewoners vertelden dat alle getroffenen een paar uur later stierven.
“En waar zijn allen die niet werden getroffen?” vroeg Shoahan met trillende stem.
“Die zijn de stad ontvlucht, maar oh wee, ieder die door hen wordt aangeraakt sterft een uur later. Het is verschrikkelijk.”
Jammerend zakte Shoahan op zijn knieën. Hij besefte dat de vleermuizen een zoete wraak namen die de mensheid lang zou heugen. Corona en haar vader kregen het eeuwige leven als straf, terwijl ze de dikke laag drek als bewijs van de vleermuizenwraak moesten meedragen.
Maandenlang zwierf de wraak der gevleugelde nachtdieren over de aarde, steeds verder en verder tot het de verste uithoeken bereikte. De mensen raakten meer en meer in paniek, zou dit dan nooit ophouden? Landen werden afgesloten, steden waren niet meer toegankelijk en de huizen gingen op slot in de hoop dat de wraak niemand kon bereiken.

In een land ver van China, in een stadje waarvan bijna niemand de naam kende, stond een wonderbaarlijk gebouw, niet zozeer door haar uiterlijk, maar door de mensen die er leefden. Zij kwamen zelden buiten, waardoor de vleermuizen hen niet kenden. Bij het vallen van de nacht ontstaken zij felle lichten. Vleermuizen houden niet van licht, dus die bleven daar weg. Alle bewoners droegen witte jassen, daaraan herkenden zij elkaar. Zij werkten het liefst met vreemde geheimzinnige apparaten, waarvan maar weinigen de werking kenden. Dag en nacht zochten zij heimelijk naar een toverdrank om de vleermuizenwraak op te heffen, zij wensten niets liever. Al die mensen, vaders en moeders, opa’s en oma’s en zelfs kinderen werden ziek en stierven. Die ellende moest en zou stoppen.
Eindelijk, na maanden experimenteren, lukte het om een toverdrank te maken. Die werd in kleine spuiten gestopt waarmee de gezonde en zieke mensen werden geïnjecteerd. Het deed wel een beetje pijn, maar dat had ieder er graag voor over.
De vleermuizen baalden of nee, eigenlijk vonden ze het wel genoeg zo. Ze trokken zich terug in de spelonk achter het groene gordijn in het besef dat de mensen nu wel genoeg waren gewaarschuwd. En ’s avonds als de zon zijn oranje-rode pyjama aantrok, kwamen ze gewoon weer tevoorschijn alsof er niets was gebeurd.
Ook Corana en haar vader Shoahan kregen van de toverdrank, waardoor zij het eeuwige leven verloren en zich eindelijk konden reinigen.
En zo leefde ieder uiteindelijk gezond en gelukkig.

Leuker kunnen we het niet maken

Over klantvriendelijkheid

Wat heeft de Jumbo gemeen met de belastingdienst? Helemaal niets.
Toch wil ik een poging wagen tot een vergelijking. Wachtend voor de kassa dringt zich namelijk een contravergelijking op, die ik zal trachten te verhelderen.
Jumbo gaat prat op haar klantvriendelijkheid, zeker waar het de afrekensnelheid bij de kassa’s betreft. Daarvoor is een opwindende spelregel in het leven geroepen die in werking treedt bij al te laks handelen van het winkelpersoneel. De vierde wachtende in een rij, dus de vijfde klant, krijgt zijn mandje met boodschappen helemaal voor niets, gratis dus. En als een Nederlander het woord ‘gratis’ hoort, appelleert dit aan een diepgeworteld instinctief gevoel van hebberigheid. En ik ben Nederlander, dus ontkom ook ik niet aan deze niet te stuiten oerdrang. Ik laat me ongegeneerd gaan als het gaat om zegeltjes plakken, stickertjes bijeen graaien, waardebonnen sparen, punten verzamelen of bonuskaarten verzilveren, zij het met een verholen schaamte.
Wachtend voor een kassa hoor ik in gedachte een aanmatigend dwingend stemmetje mijn kansen inschatten:
“Er zijn twee wachtenden voor u, er zijn drie wachtenden voor u …”
Nu vraagt de Jumboactie van klantzijde wel enige oplettendheid, want ik kan niet zomaar goedbedoeld als argeloze vijfde in een rij gaan staan en vervolgens roepen:
“Ja hoor, ik ben de vijfde, ik krijg nu zeker mijn boodschappen gratis?!”
De kans is groot dat een loslopende kassamedewerker mij bestraffend wijst op de mogelijkheid te kunnen aansluiten bij een minder populaire kassa of in het ergste geval zelf enthousiast achter een kassa duikt om mij welwillend van dienst te zijn. De grootste gêne komt mij toe als alle kassa’s in gebruik zijn en er overal vier klanten wachten en ik juist op dat moment als vijfde aansluit. Mocht ik in dat ongelukkige ogenblik gebruik willen maken van mijn gratis-boodschappen-spreekrecht, dan loop ik het onvermijdelijke risico figuurlijk verwond te raken door de vernietigende blikken van mijn collega winkelpubliek, die zoveel betekenen als “Valsspeler!”
Gelukkig weet de kassamedewerker mijn pijnlijke situatie op de juiste waarde te schatten en vertrouwt mij op gedempte toon toe:
“Als alle kassa’s in gebruik zijn geldt deze regel helaas niet meneer, het spijt me,” mij op een beminnelijke glimlach trakterend.
Op zo’n moment kan ik wel door de grond zakken met als resultaat dat ik nooit meer van mijn gratis-boodschappen-recht gebruik durf te maken.
De geroemde Jumbo boodschappenspelregel heeft nog een bijkomend positief effect. Mocht in de wachtrij de vijfde klant zich dreigen aan te bieden, dan wordt er bijna altijd een kassa geopend met de verklaring:
“U kunt ook hier afrekenen hoor!”
En daar komt dan de eerder genoemde klantvriendelijkheid in beeld. Ondanks de verplichting om al mijn boodschappen af te rekenen, voel ik mij als klant gezien en gewaardeerd en moet ik mezelf bedwingen om niet met al te veel plezier geld uit te geven.
Nu de belastingdienst.
Het invullen van het belastingformulier prijkt niet op mijn lijstje met geestverruimende activiteiten. Sterker nog: ik heb er een bloedhekel aan. Nadat ik wanhopig vergeefs probeer om de zoveelste verwarrende vraag op te lossen, pak ik toch maar de telefoon om de belastinghulplijn te raadplegen. Nadat ik eerst een keuzemenu heb weggewerkt, deelt een vertrouwenwekkende vrouwenstem mij mee dat er nog negen wachtenden voor mij zijn. Dat wordt misschien gratis boodschappen doen, denk ik in een onweerstaanbare vergelijking met de Jumbowachtrij. Stiekem kijk ik naar de kierende kamerdeur met de onrealistische verwachting, dat een enthousiaste belastingambtenaar te hulp zal schieten om gemotiveerd mijn probleem op te lossen.
“Komt u maar bij deze telefoon meneer, dan zal ik u hier wel even helpen.”
Helaas, de deur blijft onveranderd kieren en door de telefoon hoor ik de vrouwenstem ineens minder vertrouwenwekkend refereren aan mijn nog steeds negende wachtrijpositie.
Het duurt nog geruime tijd voordat mijn oor een verlossende mededeling krijgt toevertrouwd:
“Er zijn nog acht wachtenden voor u.”
In mijn gedachte kijk ik achterom naar de steeds langer wordende rij ongeduldigen. Hard werkend Nederland staat niet te springen om belasting af te dragen en die minieme motivatie wordt met deze ontmoedigingspoging volledig teniet gedaan.
“Er zijn nog zeven wachtenden voor u.”
Ik ben inmiddels een kwartier verder. Dit kan nog wel even duren. Ik besluit om mijn telefoon op de speaker te zetten, mezelf zo ruimte verschaffend tot het uitvoeren van zinloze onnodige handelingen, in de hoop het trage tijdsverloop te kunnen versnellen. Ik weet dit vol te houden totdat na vijfendertig minuten de inmiddels gehate vrouwenstem mij meedeelt dat er nul wachtenden voor mij zijn.
Nu zal je het hebben, denk ik en zet mij schrap. Plotseling word ik overweldigd door een razende stilte. Niets, maar dan ook helemaal niets wordt er aan geluid geproduceerd gedurende een seconde of vijftien, waarna onverwacht een hartverscheurend getuut als de hartslag op een ziekenhuismonitor mij vol ongeloof naar de telefoon doet kijken, alsof haar ieder moment een belastingconsulent kan ontstijgen. Geeft ze de geest? Is dit een alarmsignaal? Is dit de aankondiging van toch nog gratis boodschappen doen?
Het getuut houdt halsstarrig aan en langzaam realiseer ik mij dat de verbinding is verbroken. Vijfendertig minuten zinloos wachten, alsof je een maansverduistering wordt beloofd en een donkere wolkenpartij roet in het eten gooit.
Verbijsterd staar ik naar het scherm, waarna ik uiteindelijk met een loden gebaar de rode knop aantik om dit afgrijselijke geluid te smoren.
Met een groeiende opstandigheid besluit ik de volgende dag een nieuwe poging te wagen. Internet vertelt mij dat dit vanaf acht uur al mogelijk is. Ik beslis om zo vroeg mogelijk te bellen om hopelijk vanuit poleposition te kunnen starten. Het tempo waarin de volgende ochtend het aantal wachtenden wordt weggewerkt ligt ietwat hoger dan tijdens mijn eerdere poging. Dit stemt mij weer wat hoopvoller, zij het met een wrange ondertoon.
“Er zijn nul wachtenden voor u,” wordt mij na enige tijd wederom gemeld.
Ik zet me schrap en stel me in op het meest pessimistische scenario. Geen getuut dit keer, maar al vrij vlot een matte vrouwenstem, vermoedelijk als gevolg van het vroege tijdstip.
“Goede morgen, met de belastingdienst. Waarmee kan ik u van dienst zijn?”
Ik vermeld mijn naam onder het uiten van de verzuchting blij te zijn haar aan de telefoon te hebben.
“Waarmee kan ik u helpen?” herhaalt de vrouw dwingend, hiermee aangevend niet gediend te zijn van onnodige onzingesprekken. Haar toon is de opmaat naar een stroef gesprek, mede gevoed door mijn onvermogen haar korte en snelle aanwijzingen op te pakken, waardoor zij ongegeneerd blijk geeft van een toenemende irritatie. Nadat ik voor de zoveelste keer niet heb begrepen hoe iets in te invullen, probeer ik haar gunstiger te stemmen.
“U heeft wel een leuke baan, lijkt me,” masseer ik haar gemoedstoestand, terwijl het me niet helemaal lukt om een sarcastische ondertoon te onderdrukken.
Als een berispende schooljuf met drie dagen hoofdpijn bijt zij mij toe:
“Meneer, u moet beter lezen!”
Door deze klantvriendelijkheid zie ik ineens het licht. Ik vul moeiteloos mijn formulier in en dank vriendelijk de gefrustreerde belastingambtenaar voor haar onontbeerlijke hulp.
‘Leuker kunnen we het niet maken, wel makkelijker.’
Deze ooit gehanteerde slogan flitst door mijn gedachten. Hoe zouden die reclamemensen dit in godsnaam bedoeld hebben?

Storm in een glas water

Over echt nieuws

Vandaag raast de eerste voorjaarsstorm over ons land.
Wie het nieuws een beetje volgt moet volgens mij wel happy zijn met dit weersverschijnsel. Staan de media eindelijk eens vol met weinig zeggend nieuws waar we wèl blij van worden. Geweldig om mensen over het strand te zien waaien terwijl ze genadeloos worden gezandstraald, om maar te zwijgen over al die ontwortelde bomen die nietsvermoedend ophef veroorzaken op de met stormafval bezaaide rijweg. Eentje heeft er zelfs een auto geraakt.
“Allemaal bukken!” weet de bestuurder nog juist naar zijn geschrokken reisgenoten te roepen, waarna een uit de kluiten gewassen conifeer het dak en de moterkap van zijn auto gretig omarmt.
Natuurlijk maakt hij voor het uitstappen eerst een sensationele selfie. Voor het nageslacht vermoedelijk, want dat hij deel uitmaakt van een historisch onvergetelijk feit is wel duidelijk, in ieder geval voor de bestuurder.
“Ik heb wel een half uur op de onmiddellijk gewaarschuwde brandweer moeten wachten,” verklaart de breedlachende, niet echt geschrokken automobilist even later aan de gretige verslaggever. Alsof de hulpdiensten met dit onstuimige weer niets anders te doen hebben.
“Het is een splinternieuwe wagen, maar dat kan me niets schelen! Hij is toch allrisk verzekerd.”
Ik weet zeker dat dit voor meelevend Nederland een hele geruststelling moet zijn. Ik verbaas me trouwens over de vlugheid waarmee verslaggevers dit soort schokkende gebeurtenissen weten te bereiken. Ik vrees dat de reporter de conifeer al lang in het oog hield om met geoefende waarschijnlijkheid de ontworteling te kunnen inschatten.
Enkele ogenblikken later word ik meegezogen in het realistische relaas van een andere journalist. Er gaat toch niets boven een live verslag van een schokkende getuigenis, die mijn toenemend witte knuisten als gevolg van het wegtrekkende bloed, krampachtig om de stoelleuning doen klemmen. Met van zelfkastijding doortrokken ogen laat de verslaggever de winderige natte elementen hun werk doen, terwijl hij nauwelijks verstaanbaar de betekenis van code oranje uitlegt. Dat getuigt nog eens van een opofferende gezindheid. Geen droog verhaal vanuit een comfortabele studio, maar met een drijfnat gezicht en met van liters regenwater doortrokken kleding verslag doen, met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dat dit zijn laatste woorden zullen zijn.
Deze oerelementen maken in mensen een verbluffende kordaatheid en doortastendheid wakker. Een dag eerder heeft de KNVB al laten weten dat de voor zondag geplande wedstrijden niet doorgaan en nog geen dag later zijn er alweer twee nieuwe speeldata bekend!
En wat dacht je van onze NS. Ik spreek met opzet over ‘onze’, want bij succes wil ik graag mede-eigenaar zijn, in tegenstelling tot mislukking; dan heb ik het ineens over ‘ze’ en ‘hullie’. Nergens komt dit zo goed tot uiting als bij voetbal. Wint Oranje, dan hebben ‘we’ gewonnen. Maar bij verlies hadden ‘ze’ het beter moeten doen.
‘Onze’ NS dus had de moed om de dienstregeling aan te passen, evenals ‘onze’ KLM overigens. Dit getuigt van verantwoording durven nemen en onverschilligheid ten opzichte van de vaak vlijmscherpe publieke opinie. Als burger voel ik me veilig, mij kan niets overkomen.
De storm is ondertussen weer geluwd. Het late nieuws probeert nog een keiharde vergelijking met vorige stormen te maken, maar valt ongenadig door de mand als blijkt dat de geraamde schade dit keer aanzienlijk lager uitvalt.
Een storm in een glas water.
Met een gerust hart begeef ik me even later naar de slaapkamer in de wetenschap, dat morgen het echte nieuws weer aan de beurt is. Er gaat niets boven zekerheid.