Snippers zijn korte verhalen en columns die één maal per maand verschijnen.

Waarom?

Over onmisbare vragen

Het is een prachtige lentedag. Een steeds krachtiger zonnetje beschijnt enthousiast het pril gekleurde landschap. De van heimwee teruggekeerde trekvogels voelen zich helemaal thuis, afgaand op hun lawaaierige baltsgedrag met als doel een nieuwe generatie op de wereld te zetten. Schaars geklede mensen vullen geleidelijk de terrasjes in de stad, gezellig keuvelend in de weldadig aanvoelende voorjaarszon achter een cappuccino, een latte of een vroege cocktail.  De wereld en haar bewoners ogen een stuk vriendelijker. In de nabijgelegen haven gonst een nijvere bedrijvigheid. Schepen van diverse nationaliteiten en afmeting varen kriskras door elkaar. Torenhoge hijskranen, die de schepen laden en lossen, flankeren de kade, een levendigheid als afspiegeling van de succesvolle economie.
Het is meivakantie, merkbaar aan het grote aantal gezinnen dat wandelend langs de walkant onderweg is naar een van de vele bezienswaardigheden. Een jong gezin, bestaande uit een vader, moeder en een sproetig zoontje van een jaar of vijf, slentert gezellig mee in die stroom mensen.
“Wat een grote boten varen hier, papa. Waarom blijven die drijven?”
“Ja dat weet ik niet precies hoor, dat heb ik me nog nooit afgevraagd. Waarom wil je dat weten?”
“Nou, die hijskranen stoppen die boten helemaal vol. Dat is toch mega zwaar? Hoe kan zo’n schip nou blijven drijven?”
Verbaasd over zijn onderzoekende visie bekijkt de vader het zoontje met een schuinse blik. Vijf jaar alweer, wat gaat de tijd toch ongelooflijk snel.
Doende alsof zijn neus bloedt en daarmee diepe overdenking voorwendend wandelt de vader verder met het kinderhandje in de zijne. Het zoontje verwacht allang geen antwoord meer, hij heeft zijn vraag gesteld en bedenkt ondertussen zijn eigen oplossing.
Wijzend op een scheepsschoorsteen, met daarop de afbeelding van een vuurrode vlag met gouden sterren, vraagt het zoontje enige tijd later:
“Oh, moet je zien pap wat een mooie vlag. Uit welk land komt die?”
De vader reageert door zijn zoontje fronsend aan te kijken, waaruit het kind opmaakt van een antwoord verstoken te zullen blijven. Hij speurt alweer verder, er is zoveel te zien in de bedrijvige haven. Voor een vijfjarige vormen de immense zeeschepen de afgezanten van een onbekende wondere wereld.
Op de kade aan de overzijde rijden raadselachtige vrachtwagens, zonder chauffeur en elk een ijzeren container vervoerend. Het ligt voor de hand om ieder moment een aanrijding te verwachten, maar wonder boven wonder blijven die uit. Met een ruk aan zijn vaders hand houdt de jongen stil, om met open mond dit wonderlijke verschijnsel gade te slaan. Juist als zijn vader wil opmerken dat zij nu toch verder moeten lopen, vraagt het jongetje:
“Pap, kijk nou toch, daar! Hoe kan dat nou? Hoe weten die auto’s waar ze heen moeten?”
De vader, dit verschijnsel ook voor het eerst waarnemend, opent zijn mond om ter plekke een antwoord te bedenken, als moeder in beeld komt. Zij is blijkbaar van een ongeduldiger soort en zegt kortaf:
“Hè Daantje, hou nu eens op met al dat vragen en laat papa eens met rust!”
Sussend komt zijn vader tussenbeide met de opmerking:
“Ach Lotte, laat hem. Van vragen wordt hij wijzer, toch?” hiermee voorbijgaand aan zijn onvermogen om het zoontje van passende antwoorden te voorzien.

In deze variatie op een bekend verhaal is het maar de vraag of het jongetje wel antwoorden verwacht. Hoe vaak gebeurt het niet dat kinderen iets vragen, terwijl het antwoord alweer rap wordt onderbroken met een geheel andere vraag. Natuurlijk proberen volwassenen naar vermogen oplossingen te bieden of te bedenken, maar is de vraag stellen niet belangrijker dan het antwoord vinden? Kinderen zijn van nature nieuwsgierig, omdat zij zich verwonderen over alles wat om hen is. Het leven is, zeker voor jonge kinderen, één grote ontdekkingsreis. Dat begint al in de wieg bij het waarnemen van al die kleuren, reuken en geluiden. Vertrouwd raken met de stem en reuk van je moeder is al een vorm van betekenis geven.
Hoe groter de wereld wordt, hoe groter de ontdekkingen en de verwondering hierover. Welke volwassene verbaast zich nog over een lichtknopje? Wie staat ’s morgens op en verwondert zich over een ontstoken lamp? Wie beleeft er nog plezier aan het herhaaldelijk aan en uit knippen ervan tot er wordt geroepen: “Hé stop daar eens mee, het hoeft niet stuk hoor!”
Verwondering, de drang tot ontdekken, de drang tot het stellen van vragen en het zoeken naar mogelijke antwoorden, als middel om de wereld niet vanzelfsprekend te vinden. Wie prikkelt zichzelf nog tot het stellen van goede vragen om zich een morele spiegel voor te houden? Gaandeweg dreigen volwassenen hun talent om waaromvragen te stellen (waar zij als kind zo goed in waren) kwijt te raken. Wie is er bij tijd en wijle niet jaloers op de spontane verwondering van een kind?
Mijn vriend Henk Enkelaar somt in het AD van 26 februari 2020 onder de titel ‘Wat een geluk dat weldenkende columnisten soms een tik uitdelen’ een aantal van die vragen op:
‘Waarom is compassie voor een ander in vredesnaam verdacht? Waarom wordt het pesten van kinderen gezien als not done en heeft het voorkomen daarvan hoge prioriteit op scholen, terwijl pijn doen door zogenaamd weldenkende volwassenen wèl wordt geaccepteerd? Waarom zou je iemand haten die uit naastenliefde iets doet voor vluchtelingen? Waarom zou je blijven deelnemen aan iets wat anderen pijn doet? Waarom geven we Zwarte Piet niet een paar vegen of kleurtjes? Waarom steunen wij onze Nederlandse Chinezen niet, in plaats van ze te beschimpen? Waarom staan we antisemitisme toe? Waarom gooien we met digitale modder als mensen, die begaan zijn met de natuur, hiervoor opkomen? Waarom?’
Voorts spreekt hij over ‘een moreel kompas’, een creatieve benaming voor het vermogen om goed en kwaad in een evenwichtige verhouding te kunnen plaatsen.
Tijdens mijn opleiding vele jaren geleden kwam ik in aanraking met de kleurenleer van de Zwitser Johannes Itten. Daar leerde ik de term ‘complementaire kleuren’ kennen, kleuren die elkaar aanvullen, elkaar compleet maken, waardoor er contrast in een schilderij kan worden gecreëerd.
Er bestaan drie basiskleuren, ook wel primaire kleuren genoemd: rood, geel en blauw. Meng je twee van deze, dan ontstaat er een secundaire kleur. Rood met geel wordt oranje, rood met blauw wordt paars en geel met blauw wordt groen. Meng je een basiskleur met de secundaire kleur, dan ontstaat er een donkere, schaduwachtige tint. Handig als je in een schilderij schaduw en dus contrast wilt aanbrengen. Blauw laat zich zo verschaduwen met oranje. Contrast maakt een schilderij aantrekkelijk, aangenaam om naar te kijken.
Ook naast elkaar afgebeeld vullen deze kleuren elkaar aan. Blauw en oranje geven een verrassend opvallende combinatie, waarvan bijvoorbeeld reclamemensen gebruik maken. Compleet verschillende kleuren die absoluut niet op elkaar lijken, vormen toch een aantrekkelijke combinatie en vullen elkaar aan, maken elkaar compleet, complementair.
Waarom zijn verschillen vaak een reden voor conflict? Waarom heeft verschaduwen oorlogen tot gevolg? Waarom zien mensen hun verschillen niet als complementair, aanvullend, waardoor er juist een aantrekkelijk en boeiend contrastrijk wereldbeeld kan ontstaan?
Waaromvragen, we kunnen niet zonder.

De vergissing

Over verkeerde beslissingen

“Wat kunnen mensen toch tegenvallen!” moppert Ties zachtjes voor zich uit, ondertussen met zijn vlakke rechterhand op het stuur slaand totdat hij per ongeluk de claxon beroert, die ogenblikkelijk schel protesterend door de duistere natte nacht schreeuwt. Ties schrikt van zijn eigen ongeremdheid en rukt onbewust aan het stuurwiel, waardoor de auto een onzekere slingerbeweging krijgt.
“Het zag er zo veelbelovend uit, wie had dit nu verwacht? Ik kan mezelf wel…” verzucht hij tegen zijn evenbeeld in de achteruitkijkspiegel.
“Na tweehonderd meter linksaf slaan,” reciteert de vriendelijke vrouwenstem van de navigatie onverstoorbaar.
Als je goed luistert kan je een zachte g in haar stem horen. Bij de aanschaf viel Ties meteen als een blok voor deze navigatrice, die zo heerlijk onverstoorbaar blijft in heftige verkeerssituaties. Al word je nog zo gesneden, al rijd je twintig keer de verkeerde kant op en al kan je door de gigantische verkeerschaos niet links aanhouden ondanks haar rustige aanwijzing hiertoe, Beatrice wordt er niet warm of koud van en staat direct met een alternatief klaar.
Beatrice, ja zo noemt Ties de vertrouwde vrouwenstem, waardoor het hem beter lukt zich op zijn gemak te voelen in het verkeer, want autorijden vindt hij een noodzakelijk kwaad. Hij haat het eigenlijk diep in zijn hart. Zoals anderen zich kunnen verheugen op een autoritje, zo kan Ties er tegenop zien als een arts tegen een slechte-tijding-gesprek. Beatrice is zijn steun en toeverlaat en hij haalt dan ook opgelucht adem als hij weer veilig zijn bestemming heeft bereikt.
“U nadert een rotonde. Neem de tweede afslag!” vervolgt Beatrice op zalvende toon.
Het is beestenweer. De regen gutst onafgebroken met bakken omlaag en stort zich lawaaierig op het dak en de voorruit van de auto. Allesbehalve de voorwaarden voor een relaxte autorit. Ties drukt zijn min-vier-brillenglazen bijna tegen de voorruit om door de waas van licht reflecterende druppels heen te dringen. Normaal gesproken heeft hij al flink moeite met oriënteren in een maanloze duistere nacht als deze. De versterking van een lichtschittering, gereflecteerd door duizenden kleine druppeltjes, is rampzaliger dan de verblinding door een paar felle koplampen van een voorbijrazende tegenligger. Dat moment van uitschakeling duurt slechts een fractie van een seconde, terwijl het druppeltjesgordijn permanent aanwezig is waardoor Ties zich bovenmenselijk moet inspannen voor de belofte van een goede afloop. Na zo’n rit is Ties doodop en voelt hij in zijn ogen een brandende pijn die soms pas na een dag weer verdwijnt.
Het lijkt wel of de weergoden vannacht hebben besloten om hem zijn ontluistering van deze avond extra in te wrijven. Zijn gedachten gaan terug naar een week geleden, een voor Nederlandse begrippen ongekend mooie zaterdag. Zo’n zwoele staalblauw aangezette zonovergoten dag die slechts om één enkele actie vraagt: liggen op het strand tot het moment dat al je warmte-indicatoren je dwingen een verkoelende frisse duik in het Noordzeewater te nemen. Dat Ties niet de enige was die dit overheerlijke idee opvatte, bleek al op de heenweg die werd gedomineerd door kilometers file. Ties trotseerde die graag, denkend aan de belofte van een extatische tropendag. Hij vindt het heerlijk om zulke tripjes alleen te maken, ondanks de ruime vriendenschaar waarover hij beschikt. Een dag alleen met jezelf, in je hoofd gesprekken voeren of juist niet. Dan hielpen het strand en het mooie weer om je kop leeg te krijgen, om een nieuw perspectief te creëren. Zo ook vorige week. Ondanks de enorme mensenmassa vond hij al snel een geschikte plek, niet al te dicht op anderen en niet te ver van het strandpaviljoen, zodat hij af en toe een versnapering kon halen.
Spoedig gaf hij gehoor aan de ritmische afwisseling van zonnen en een frisse duik nemen. Hoognodig tijd voor een versnapering, vond hij. Nadat hij zich een flinke punt met drie Italiaanse ijsbollen had aangeschaft en zich verlekkerd likkend in de richting van zijn badlaken begaf hield hij plotseling zijn pas in. Turend in de richting van zijn handdoeklocatie nam hij een opmerkelijke verandering waar. In plaats van alleen zijn eigen helblauwe badlaken zag hij nog een handdoek, pal naast de zijne, met daarop een bloedmooie brunette in een witte bikini. Haar gestrekte benen wezen in de richting van de zee, terwijl zij op haar beide armen half achterover steunend met gesloten ogen het hoofd licht naar achteren neigde, zodat haar kastanjebruine half lange haren bevallig langs haar ranke rug vielen. Een kort ogenblik stond Ties als aan de grond genageld, tot het moment waarop hij een kleverige massa over zijn hand voelde kruipen ten teken dat het tijd werd om het consumeren van de koude lekkernij te vervolgen.
Het smeltijs aflikkend liep hij verder en nam plaats op zijn handdoek op nog geen armlengte van het wereldwonder naast hem, dat zich overigens niet bewoog. Dit schonk Ties de gelegenheid om haar schuins nog eens goed van dichtbij te bekijken, waarbij hij concludeerde dat de overbrugde afstand geen correctiefilter bleek. Hoe vaak gebeurde het niet dat hij bewonderend keurende gedachten kreeg bij een van afstand naderende vrouwspersoon, waarna bij passage teleurstelling zich aandiende, omdat niet alle vrouwen met lang wapperend blond haar schoonheden bleken te zijn. Deze in witte bikini getooide brunette echter bleek van dichtbij nog verpletterender.
Een gevoel van ongemak drong zich aan Ties op, niet alleen haar aanwezigheid maar zeker ook haar onbewogenheid verontrustten hem. Juist na het doorslikken van zijn laatste restje ijswafel opende de schoonheid haar ogen, rechtte haar rug en sprak met een vriendelijke en daardoor aantrekkelijke stem:
“Zo kijk eens, welke kanjer hebben we hier? Ook goede morgen. Ik ben benieuwd wie de eigenaar van deze opvallend blauwe handdoek is. Met wie heb ik het genoegen?”
Ties raakte compleet van slag door deze directe benadering en vond zichzelf nogal klunzig bij zijn hakkelende poging tot een reactie.
“Oh uh, hey. Ik uh, ik heet Ties. Ik uh, ik dacht ik ga naast je zitten dacht ik, uh ik bedoel ik uh…”
De schone glimlachte en bracht vervolgens een zacht kirrend lachje ten gehore, waardoor Ties helemaal onder zijn badlaken smolt.
“Hey Ties, Ik ben Suze. Suze Brennikmeijer. Aangenaam.”
En bij die laatste woorden stak zij haar ranke gebruinde hand naar hem uit. Ties voelde dat Suze de zijne net iets langer dan gebruikelijk vasthield en hem daarbij met haar donkere ogen veelzeggend aankeek.
“Vind je het goed als ik even bij je kom zitten? Ik ben vandaag alleen op stap, dus…”
“Oh uh, ja natuurlijk. Je zit hier nu toch hè …”
Beiden lachten om zijn poging tot een grap.
Suze bleek over het vermogen te beschikken om iemand op zijn gemak te stellen, zo ook Ties. Spoedig transformeerde hij weer tot zichzelf, waarna het contact plezierig vertrouwd begon te voelen. Ze besloten zelfs om samen een frisse duik in het water te nemen en rond het middaguur begaven beiden zich naar het strandpaviljoen om samen de lunch te gebruiken.
“In welke plaats woon je eigenlijk?” vroeg Suze aan Ties, die zich realiseerde dat al veel gespreksonderwerpen de revue hadden gepasseerd, terwijl dit soort basale wetenswaardigheden nog onbesproken bleven. Ties gaf aan in Rotterdam te wonen, terwijl de domicilie van Suze Amsterdam bleek te zijn.
“Hoe bestaat het, een Rotterdammer versus een Amsterdammer, een grotere tegenstelling bestaat er niet!” constateerde Suze waarna beiden elkaar lachend aankeken onder het heffen van hun glas.
“Op Feyenoord-Ajax dan!” gniffelde Ties, waarbij ze hun glazen klonken en de tegenstelling met een slok uit hun glas bezegelden.
De rest van de middag stond wat Ties betreft niet in het teken van tegenstelling, nee, eerder aanvulling, vervolmaking. Hij had zich nog nooit zoveel mens, zoveel man gevoeld. Eigenlijk was zijn vraag in de loop van de middag om samen te gaan dineren een logisch gevolg, een soort natuurlijke ontwikkeling, zoals het planten van een zaadje uiteindelijk een boom opleverde of het verzorgen van een puppy een forse herdershond; een organisch resultaat van de ontmoeting van twee mensen die aan elkaar voorbestemd leken.
De Rotterdamse avond mondde uit in beschouwende, verdiepende, humoristische en soms intieme gesprekken, waarbij de brede ontwikkeling van Suze steeds duidelijker uitlichtte en de adorerende bewondering van Ties voor zijn stralende tafelgenote met het vorderen van de avond merkbaar groeide. Ties had bij de keuze van de eetgelegenheid ingezet op kwaliteit en ambiance, waaraan uiteraard een prijskaartje hing dat hij graag verzilverde. Ongemerkt naderden de kleine uurtjes, voor Suze een reden om Ties te vragen haar naar het centraal station te brengen.
“Oh maar ik wil je anders wel naar Amsterdam rijden hoor, voor mij geen probleem,” antwoordde hij gretig.
“Ik heb een veel beter idee: als je volgende week nou naar mij toekomt, zorg dat je rond een uur of zes bij me bent. Dan maak ik eten en gaan we er een gezellige avond van maken, oké?”
Het overweldigende gevoel de hoofdprijs van de Staatsloterij binnen handbereik te hebben nam bezit van hem, vooral toen Suze op het station hun afscheid met een sensuele kus bezegelde.

De hiernavolgende week kenmerkte zich door rusteloos ongeduld. De dagen schoten niet op en hoe verder de week vorderde des te trager het voortschrijden der uren werd. Eindelijk, eindelijk brak de zaterdag aan. Ties keek door zijn slaapkamerraam en kon zich geen groter contrast met vorige week bedenken, zoals zwart bij wit hoort, dik bij dun of slim bij dom. In de hemel ontpopte zich een ongelijke strijd, waarbij alles onder de noemer ‘hondenweer’ zich triomfantelijk aandiende. Het kwam met bakken uit de hemel bij een windkracht zeven, waardoor het hemelwater zich met striemende kracht tegen de ramen sloeg, hiermee de suggestie wekkend binnen afzienbare tijd het vensterglas niet meer als obstakel te zien.
Op het einde van de middag, waarbij het weerbeeld geen moment de indruk wekte sympathieker uitingsvormen te willen aanwenden, begaf Ties zich op weg naar Amsterdam, zich overgevend aan de betrouwbare begeleiding van Beatrice die hij als nooit tevoren waardeerde. Zonder problemen bereikte hij het adres van Suze. Gelukkig kon hij de auto dichtbij parkeren wat goed uitkwam, daar het gebruik van een paraplu onder deze stormachtige weersomstandigheden gelijk stond aan het geloof in je eigen vliegvermogen. Waanzin dus.
Een bos bloemen leek hem wel een romantische, maar geen realistische binnenkomer. Hij had bewust gekozen voor een intro waarvoor volgens hem de meeste vrouwen gevoelig waren: een sieraad. Hiervoor was hij naar Ruud, de juwelier op de hoek, gegaan om zich deskundig te laten informeren en die naar eigen zeggen een relatief goedkope, vrouwtoegankelijke, oplossing aandroeg. Het bedrag onder de streep gaf toch nog €190 aan die Ties zonder aarzeling betaalde. Kwestie van investeren, dacht hij.
“Oh Ties, wat mooi! Je wekt de indruk mijn smaak te kennen. Ik ben gek op colliers. Wil jij hem omdoen?” vroeg Suze met een verleidelijk stemmetje om zo haar goedkeuring voor de attentie te tonen.
De kamer werd feeëriek verlicht door smaakvol opgestelde kaarsen en slechts één brandende lamp was verantwoordelijk voor een zachtroze gloed, die een onnatuurlijke sensuele sfeer veroorzaakte.
“Nou, je hebt je best gedaan,” was het enige dat Ties kon bedenken.
“Oh niets bijzonders hoor, ik ben eraan gewend, maar ik ben blij dat het je goedkeuring heeft.
“Ik verheug me op je kunsten als keukenprinses,” veranderde Ties van onderwerp. “Ik heb me zo op deze avond verheugd.”
“Nou ja, daar wil ik het eerst even met je over hebben Ties. Ik krijg stellig de indruk dat onze verwachtingen niet geheel op één spoor zitten. Ik meende dat vorige week al te bemerken.”
Ties begreep niet welke richting Suze wilde inslaan. Hij doorgrondde haar opmerking niet en licht uit het veld geslagen liet hij dat merken.
“Verwachtingen? Ik weet niet…, wat precies…, wat probeer je te zeggen Suze?”
“Nou, laat ik maar duidelijk zijn, vorige week was erg gezellig en omdat die dag niet gepland was, heb ik er niets voor gerekend.”
Ties begreep er helemaal niets van. Wat bedoelde ze nu toch? Wie had het nu over geld? Dat was voor hem toch geen…
“Niets…, niets voor gerekend? Wat bedoel je nu Suze?”
“Ja, wat ik al zei: voor vorige week heb ik geen geld in rekening gebracht, maar een avond als deze kost je €950. En dat is niet duur hoor, geloof me maar.”
De sfeervolle kaarsen begonnen een dreigende houding aan te nemen en de roze verlichting schrijnde ineens aan zijn ogen.
“Godver Jezus, Suze …, ik dacht toch echt …, dit meen je niet!”
Ties hief het hoofd op en ontdekte zijn evenbeeld in de wandspiegel die hem nog niet eerder was opgevallen. Hij schrok van die wanhopige, ontsteld glurende beeltenis, die hem traag deed beseffen in welke ongewenste situatie hij was beland.
Met een ruk draaide hij zich om en beende de kamer uit, rukte de buitendeur open en vluchtte naar zijn auto op de hoek van de straat.

“Bij de tweede straat rechtsaf slaan,” informeert Beatrice hem onverstoorbaar met haar zachte g.
Ties is niet in staat om zich te oriënteren, het slechte zicht ontneemt hem ieder herkenningspunt. Hij werpt een vluchtige blik op het display van zijn navigatiesysteem waaruit hij opmaakt in het havengebied te rijden. Vreemd, Ties kan zich deze omgeving niet herinneren van de heenreis, hoewel zijn euforische gemoedstoestand eerder op de avond hieraan waarschijnlijk debet is.
Jezus, als ik toen alles had geweten, dan was ik …
“Na 150 meter linksaf slaan. Rijd vervolgens de tunnel in,” meldt Beatrice.
Ties draait zijn stuur naar links en merkt dat de weg begint te dalen. Hij geeft vol gas, hoe eerder thuis hoe beter. Hij wil Amsterdam zo snel mogelijk achter zich laten, momenteel zijn ‘Amsterdam’ en ‘misère’ congruente begrippen voor hem waarin hij met spoed verandering wil brengen. Ties trapt zijn gaspedaal nog maar eens extra in waarna een daverende klap op de motorkap, gevolgd door een heftige airbag activerende schok hem volledig verrast. Een fractie van een seconde later klapt hij met zijn hoofd in de beschermende plofzak en wordt zijn lichaam in de autogordel gedrukt. Een verdoofd en bijna bewusteloos gevoel overweldigt hem, waardoor hij gedurende een aantal tellen niet beseft wat er aan de hand is. Als zijn bewustzijn weer langzaam terugkomt, dringt zich een zwevend gevoel op. Of nee, eigenlijk meer een dwarrelend dalen, zoals een boomblad in de herfst los raakt van een tak en zwierend slingerend de bodem opzoekt. Een duidelijke schok vertelt hem dat de daling tot stilstand komt, gevolgd door een borrelende stilte. De gutsende regen is opgehouden, hoewel de ramen natter zijn dan ooit. Ook de hinderlijke schittering van de duizenden druppels is verdwenen. Sterker nog, hij neemt geen enkele lichtstraal meer waar. Een immense duisternis maakt zich van hem meester. Ties ziet werkelijk niets meer en hij begint nu ook te begrijpen waar dat geborrel vandaan komt. Met zijn handen langs het portier tastend voelt hij langzaam naar binnen sijpelend ijskoud water. Vrij van paniek rijpt het besef rondom zijn prangende situatie. Op de tast maakt hij zijn gordel los, vindt de safety hammer in de houder bij zijn voet, rukt die los en bewerkt hiermee het raam. Plotseling golft een hoos water naar binnen die in rap tempo het interieur begint te vullen. Het lukt Ties om een fikse hap lucht te nemen voor hij zich tegen de waterstroom in naar buiten werkt, waarna de gebeurtenissen geen indrukken meer nalaten in zijn geheugen. Hij begint pas weer te registreren als hij doornat en ijskoud de wal weet te bereiken en een uitgestoken hand grijpt.
“Ik heb je, ja ik heb je vast. Ik laat je niet meer los!” wordt hem met een platte Amsterdamse tongval toegeschreeuwd.
“Ja kom maar, hou vol, dan trek ik je op de kant!”
Even later hurkt hij op de kade, wordt hem een dikke jas om de schouders gehangen en houdt zijn behulpzame redder een grote paraplu boven zijn hoofd.
“Dddank je wwwel hè,” klappertandt Ties.
“O geen probleem jongen, je bent de tweede al deze week.”
Ties kijkt verbaasd omhoog in het verweerde gezicht van de Amsterdammer.
“Ddde tttweede?” bibbert hij.
“Ja je bent niet de eerste hoor. Je reed zeker een tunnel in hè?”
“Jjja dat kkklopt, ik moest lllinksaf slaan om een tttunnel in te rijden.”
“Ja, dat moest die andere ook. Blijkt een fout in je navigatiesysteem te zijn. Zou ik toch maar eens even over bellen. Over bellen gesproken, ik heb de hulpdiensten al ingeseind hoor, die zijn onderweg.”

Flarden

Over schuldgevoel

Er bestaat een wonderlijk spel: flarden plakken. Nou weet ik niet of het een officieel vermaak is, feit is wel dat ik het af en toe speel, dus dan zou je kunnen concluderen dat het spel bestaat, ook al is het nergens te koop en heb ik het zelf bedacht.
Het gaat als volgt: ga een stuk wandelen of fietsen en zoek bij voorkeur plaatsen op waar de kans aanzienlijk is dat je mensen ontmoet. Je kunt erop wachten dat je gedurende enkele seconden ongevraagd wordt meegenomen in een luidruchtig emotioneel telefoongesprek. Of je vangt een flard op van een intiem tweegesprek dat jou passeert als een snel rijdende auto, bij nadering hoog en scherp van toon en na passage in volume en toonhoogte afnemend. Probeer zo’n gespreksmoment vast te houden tot de volgende ontmoeting en plak het nieuwe geluidsfragment eraan vast, om zo een verrassend, vaak absurd hoorspel te beluisteren.
Om de tijd te doden bezigde ik dit kostelijke vermaak met regelmaat tijdens mijn dagelijkse fietstocht naar mijn werk. Onderweg ontmoette ik vooral groepen lawaaierige scholieren die geen enkele poging ondernamen om hun conversaties voor toevallige toehoorders, zoals ik, te censureren of in decibellen te minimaliseren. Ook kon het zomaar gebeuren dat ik willekeurig een paar woorden toegeschreeuwd kreeg, zonder te kunnen achterhalen welke rol hierbij van mij werd verwacht om de simpele reden, dat de afstand tussen de andere partij en mij binnen luttele ogenblikken te veel in omvang toenam om hier zinnig actie op te kunnen ondernemen.

“Die Boelhouwer werd kwaad joh. ‘Je bent zo lui als een varken,’ schreeuwde hij. ‘Ik ben helemaal niet lui,’ zei ik. ‘Ik ben gewoon heel erg gemotiveerd aan het niks doen.’ Nou toen (…)”
“Wat heb je met die gast? Dat is toch een creep! Iehhh!”
“Valt best mee hoor. Ik zei nog, ik heb het nog nooit gedaan (…)”
“Ik doe sowieso niets. En weet je wat ik had? Een tien!”
“Echt? Je meent het?!”
“Ja en ik heb er dus helemaal niets voor gedaan (…)”
“Hé ouwe!” (Dat ben ik dan …).
“Uuuuurrrghh” (Dat is een keiharde boer).
Ik geef toe, over het niveau kunnen we van mening verschillen.

Hoeveel flarden dienen zich dagelijks aan?
Mijn gedachten vormen daarvan wel de exponent bij uitstek. Lopend door het park, in de supermarkt schuifelend met een boodschappenmandje, met nog maar honderd kilometer per uur rijdend op een snelweg, tijdens een bovengemiddelde gesprekspauze, ineens zijn ze daar als zandkorreltjes in de wind die jouw oog prefereren als ultieme plek om uit te rusten.
“Heeft u letsel aan uw oog, wrijf dan met uw elleboog,” placht mijn opa vroeger als raad te geven. Inderdaad, laat ze maar, ga niet met ze in gesprek. Flarden zijn eigenwijs en uitermate moeilijk beïnvloedbaar. Ze spreken mijn geweten aan en ik leer het meeste door ze hun gang te laten gaan, ze ongemoeid te laten en aandachtig naar ze te luisteren.
Soms slaat een flard gewoon nergens op. Hoe kom ik er op? vraag ik me dan stomverbaasd af. Dan ben ik gniffelend onder humoristische vrienden.

Ook de media behoren tot de habitat van de flarden. Meestal schieten ze schichtig voorbij zonder verder aandacht op te eisen. Een enkele keer echter blijft een hardnekkig exemplaar steken, als een statisch stuk plastic dat weigert zich te laten weggooien. Een voorbeeld ontmoette ik onlangs op een platform waarop opvallende berichten worden uitgelicht, in dit geval uit WhatsApp:

  • Wil je mijn favoriete quote horen? (Blauwe vinkjes)
  • Ja hoor. (Blauwe vinkjes)
  • Je kan van iemand houden en als je van iemand houdt, vergeet je diegene nooit (Smiley met brede tanden en blauwe vinkjes)
  • Mijn ouders zijn me een keer vergeten in de ballenbak bij de Ikea … (Blauwe vinkjes)

De flard heeft even tijd nodig om naast me te komen zitten, maar eenmaal aan tafel moet ik onbedaarlijk grinniken. Direct melden zich collega flarden en voor ik er erg in heb bevind ik me in aangenaam gezelschap. Ik zie beelden van een jong gezin dat de zaterdag heeft uitverkoren als even-een-momentje-voor-onszelf, lekker schuifelend in een trage brede rij door een overvolle Ikea, zich verlekkerend aan dat-zou-ik-wel-willen-hebben-maar-ik-heb-het-niet-echt-nodig, in de veilige wetenschap dat kindlief zich prima vermaakt bij de kinderopvang beneden. Die ligt nu waarschijnlijk te rollebollen in het ballenbad en is haar ouders allang vergeten. Aansluitend in het overvolle restaurant ervaart het jonge paar niet bepaald een zen momentje, maar toch: even opgaan in elkaar, zonder kind, ondanks het oorlogslawaai om hen heen. Alsof ze verliefd worden opnieuw uitvinden. Had hij altijd al van die mooie blauwe ogen?
“Ik weet in de stad nog een leuk tentje, kunnen we even verder chillen,” stelt hij voor.
Een moment met een gouden rand, zij het een tijdelijke. Op de terugweg gaat de telefoon. Een verontruste Ikea-medewerker vraagt zich oprecht bezorgd af of de ouders van Myrthe nog van plan zijn hun watervallen huilende dochtertje, dat de extatische ballenbadervaring al geruime tijd is ontstegen, op te halen. Zie hier de geboorte van een schuldgevoel.

Een verwante flard dient zich aan. Ik zie mezelf als jonge leerkracht lesgeven aan een groep acht. Mijn verjaardag als het hoogtepunt van het jaar naderde met rasse schreden:
“Meester, we hebben je vrouw gebeld, die is overal van op de hoogte. Je hoeft alleen maar je zwemkleding mee te nemen.”
Ze hadden alles geregeld, de schatjes. Zelfs het vervoer en bij wie ze in de auto zaten. Na een middag tropisch zwemmen schalde onze schoolnaam door de speakers ten teken dat aan alle vermaak een einde kwam. In de hal verzamelen en iedereen kroop weer in een auto.
Normaal gesproken liep ik tijdens dit soort vermakelijkheden de gehele dag koppen te tellen, maar door de aanstekelijke organisatiedrift van de overenthousiaste leerlingen voelde ik mij, geheel onnodig, van deze verantwoordelijkheid ontslagen. Niet zo handig. Hier kwam ik achter toen ik bij aanvang van de door mijn vrouw met liefde klaargemaakte verjaardagsmaaltijd een eerste hap van mijn medium biefstuk wilde nemen. Aan de telefoon meldde zich een relaxt grinnikende moeder:
“Mist u niet iets?”
Martijn, het droomhoofd van de klas, vond het toch wel erg stil worden in het bubbelbad. Na de constatering geen klasgenoot meer te ontdekken, begaf hij zich toch maar naar de balie, waar een medewerkster aangaf dat de klas al geruime tijd geleden was vertrokken. Martijn raakte niet in paniek en belde naar huis vanuit de geruststellende overtuiging dat zijn moeder vast wel als taxichauffeur wilde fungeren.
“Oh, wat vind ik dit erg, mevrouw,” antwoordde ik schuldbewust.
Begripvol meldde de moeder van Martijn het geen enkel punt te vinden en wenste me nog een gezellige verjaardagsavond toe. In die tijd bestonden zulke ouders nog, wat niet wegnam dat ook bij mij een aanhoudend schuldgevoel weigerde het ruimhartig toebedeelde begrip te accepteren.

De flarden staan ondertussen ongeduldig in een rij te wachten. Ik kies er nog één uit.
Ik denk dat ik een jaar of vier was. Mijn ouders schaften een Solex aan, zo’n fiets met voorop een klein trillend motortje, dat het voorwiel tot een snelheid van een kilometer of vijfendertig kon aanmanen. De avond was al in een ver gevorderd stadium, toen ik door mijn nerveus opgewonden vader werd gewekt met de mededeling dat er buiten in de tuin een verrassing stond. In mijn pyjama met daarover een in de gauwigheid aangeschoten jas, nam ik plaats achter de rug van mijn moeder, op een blok skai met daar achter een metalen ruggensteun. Mijn voeten vonden houvast op twee opklapbare voetenstepjes. Over veiligheid werd toen anders gedacht. Mijn broer nam plaats achterop de Solex van mijn vader. Trots als een pauw reden we rondjes door de wijk. Mijn opgewondenheid werd niet zozeer veroorzaakt door de Solexrit, maar door de ontdekking dat alle huizen er nog gewoon stonden. Ik realiseer me dat ik dit nader moet toelichten. In die tijd was ik er namelijk heilig van overtuigd dat de duisternis van de avond haar oorzaak vond in het gegeven, dat alle huizen in de nachtelijke uren onder de grond zakten, om onverklaarbare redenen overigens. De constatering dat het tegendeel waar bleek te zijn resulteerde in een euforische ervaring, die vergelijkbaar was met de ontdekking van Amerika door Columbus.
Die Solex wakkerde onze reislust aan. Na enkele dagen al besloten mijn ouders om een rit naar Rotterdam, waar mijn grootouders woonden, te maken. Een reis van pak hem beet tachtig kilometers. Vroeg uit de veren, warm aangekleed, de beide Solexen aangetrapt, de dag kon niet meer stuk. Lang stilzitten achterop een hobbelend vehikel met de armen krampachtig om mijn moeders middel geslagen, bleek minder spannend dan ik had gehoopt. De enige spanning was al gauw voelbaar in mijn blaas, waardoor we genoopt waren te stoppen bij één van de openbare toiletten die toen der tijd ruimschoots in Nederland voorhanden waren. Het door ons uitgekozen sanitair stond bovenop een soort heuvel, die via een lange stenen trap moest worden bestegen, alsof ik het bordes van paleis Soestdijk betrad tijdens een defilé op koninginnedag. Weer geheel ontspannen daalden we voorwaarts (in tegenstelling tot het aangehaalde defilé) de trap af en bestegen gezellig keuvelend onze ijzeren rossen. Vooral mijn vader zat op zijn (rijdende) praatstoel, want hij wees mijn broer op talloze bezienswaardigheden, wat ik overigens vreemd vond daar mijn broer nergens te bekennen viel.
“Zeg pap, tegen wie praat je eigenlijk?”
“Hoe bedoel je? Ik begrijp je vraag niet?”
“Nou, je zit van alles tegen Rob te vertellen, maar …”
Verder kwam ik niet daar ook mijn moeder ondertussen het gemis van mijn broer ontdekte en een ijselijke kreet produceerde, die mijn vader verkrampt aan het remmen zette. Na het stadium van stilstand te hebben bereikt ontstond er een geïrriteerd tweegesprek tussen mijn ouders, waarvan ik de letterlijke bewoording ben vergeten doch de essentie heb onthouden:
“Jij zegt ook helemaal niets!”
Er werd besloten rechtsomkeert te maken. Na enige minuten doemde mijn broer vaag op in de verte, doodgemoederd de bewegwijzering richting Rotterdam volgend. Zijn verklaring voor het feit dat hij mijn ouders niet nariep bij het vertrek, zei iets over onze gezinscultuur waar elkaar dissen en er-tussen-nemen tot de dagelijkse praktijk behoorden.
“Tja, ik dacht: mij pakken jullie niet, hier trap ik niet in. Maar toen het wel erg lang duurde ben ik de borden ‘Rotterdam’ gaan volgen. Ik dacht dan kom ik er vanzelf.”
We keken elkaar aan en konden er uiteindelijk wel om lachen.

Tja Martijn, de appel valt niet ver van de boom.

Sjors

Over een doodgoede kerel

Sjors, niemand kende zijn achternaam ondanks zijn status van stadsbekendheid, reisde dagelijks met lijn 4 vanaf Delfshaven naar halte Burgemeester van Kempensingel, helemaal in Hillegersberg. Op zich geen beroemd makende activiteit, ware het niet dat hij op een niet navolgbare wijze gedurende de reis van zich liet horen.
Sjors liet zich moeilijk vangen in een stereotype, hij was zogezegd behoorlijk uniek, absoluut niet zoals een ander. Met een hoge kopstem zingend verliet hij ’s ochtends de woning, waar hij een kamertje huurde bij een oude stokdove hospita. Af en toe onderbrak hij zijn zelf gecomponeerde melodieën met een vrolijke groet naar een passant. Niemand sloeg hij over. Velen troefden hem al spoedig af met een “Ha Sjors!”, waardoor hij op den duur als een vrolijke kleurrijke wolk door de straten zweefde. Zijn omgeving lichtte helder op door zijn aanstekelijkheid. Eenmaal in de tram gezeten wisselde hij van tijd tot tijd van zitplaats om een gezellige burenbabbel op te starten, voor nieuwkomers aanvankelijk een verbazingwekkend fenomeen. Wie kende niet het beeld van het parkbankje waarop twee keuvelende vriendinnen geheel opgaand in elkaar zich onttrokken aan hun omgeving, totdat een vreemde man net iets te dichtbij naast hen ging zitten. Ongemakkelijk creëerden de twee een veilige afstand door iets opzij te schuiven met een veelzeggende zijdelingse blik, alsof de man een besmettelijke ziekte zou overbrengen.
Sjors was het toonbeeld van bereidwilligheid en behulpzaamheid. In een overvolle tram stond hij net zo makkelijk op voor een bejaarde of zwangere vrouw als het geven van een hand. Ook anderen spoorde hij hiertoe aan, niet aanmatigend maar dusdanig spontaan eigen, dat de stoelbezetter niet kon weigeren. Dreigde een jonge moeder haar kinderwagen niet op tijd naar binnen te krijgen, dan was Sjors er als de kippen bij om die klus te klaren om vervolgens neuriënd zijn plaats weer op te zoeken, uiteraard nadat hij eerst de peuter liefdevol over zijn bol had geaaid.
Sjors had een belangstellende nieuwsgierige inborst. Hij interesseerde zich voor zijn reisgenoten op een prettige, uitnodigende manier en was meelevend daar waar nodig. Toonde een reisgenoot dezelfde interesse voor Sjors dan liet deze weinig los. Zo bleef hij een mysterieus fenomeen. Aan het einde van zijn reis liep hij geheel naar voren om, de bordjes met de tekst ‘verboden hier de tram te verlaten’ negerend, door de voordeur uit te stappen met als doel, de bestuurder een joviale groet mee te geven. Hij kende ieder personeelslid bij naam.
“Nou Chris, de mazzel maar weer en krijgt vandaag niet de zenuwe hè. Maakt er wat van hoor.”
Wat zou die gast hier nou op de Kempensingel moeten doen? zag je Chris denken. Want niemand wist hoe Sjors zijn dag doorbracht.
Zo schiep hij ongewild een beeld van geheimzinnigheid, dat wellicht bijdroeg aan zijn bijzondere status van plaatselijke wereldberoemdheid, evenals zijn uiterlijk trouwens. Op zijn hoofd droeg hij een witte gleufhoed met zwarte band, waaronder lang golvend donkerblond haar tevoorschijn piekte. Hierdoor leek zijn ingevallen hongergezicht nog magerder. Gelukkig straalden twee helderblauwe ogen zijn medemens tegemoet, waardoor de uitstekende jukbeenderen niet storend overkwamen.
Een ogenschijnlijk keurig colbert, dat een zwart T-shirt insloot, was onverwacht langs de mouwen afgezet met lange slierten, die elke beweging met gracieuze sierlijkheid begeleidden. Het meest in het oog lopende deel van zijn outfit vormde zijn pantalon met een opvallende tijgerprint. Hieronder staken twee blote voeten in een paar blauwe suède puntschoenen, die zo een evenwichtige basis voor zijn uitzonderlijke verschijning vormden.
Nog niet zo lang geleden, op een sombere grijze herfstdag, verliet Sjors opnieuw zijn woning. In tegenstelling tot andere dagen schuifelde hij onzeker vooruit, daarbij zonder kopstemserenades naar de grond wegkijkend, slechts onverstaanbaar voor zich uit mompelend. Ook dit keer werd hem van tijd tot tijd hartelijk “Ha Sjors!” toegeroepen, wat hij volkomen negeerde waardoor hij menig keer met verbaasde blik werd nagestaard. De vrolijke groeten leken hem niet te bereiken.
Lijn 4 gleed langzaam de straat binnen en opende haar deuren om Sjors te omarmen.
“Ha Sjors, wat zie jij er belabberd uit man,” begroette Chris hem.
Sjors reageerde lauw en schuifelde naar de voorlaatste bank om zich daar met zijn hoed over zijn gezicht in de hoek tegen het raam te nestelen. Sjors zuchtte eens diep en zakte blijkbaar weg in een diepe slaap. Vanuit zijn spiegel bekeek Chris met een zorgelijke blik dit ongewone tafereel. Sjors bleef ongevoelig voor de vele hartelijke begroetingen en de passagiers die de plaats naast hem verkozen lieten hem uiteindelijk met rust.
In de buurt van de Burgemeester van Kempensingel nam het aantal reizigers af. Het was al twee haltes geleden dat de plaats naast Sjors ingenomen werd door een medereiziger. In de scherpe bocht vanaf het De Montignyplein naar de Burgemeester van Kempensingel gebeurde het. Door de kracht van de bocht helde Sjors over in de richting van het middenpad, verloor zijn evenwicht en plofte op de trambodem, daarbij zijn karakteristieke hoed verliezend die, om hem als het ware de weg naar de uitgang te wijzen, in de richting van de trambestuurder rolde om ten slotte halverwege, na het maken van een laatste rondedansje, als baken in het looppad te functioneren.
Sjors lag met gespreide armen en wijd opengesperde mond op zijn rug en staarde met een lege blik naar het plafond. Enkele vrouwen gilden verschrikt bij deze aanblik, terwijl een wat oudere man overeind kwam om aan de noodrem te trekken. Nadat de tram binnen enkele tientallen meters tot stilstand was gekomen, rende Chris naar achteren en tikte Sjors een paar keer op de wangen, wat helaas geen resultaat opleverde.
“Hij is koud,” mompelde Chris onthutst. “Hij is ijskoud, zo dood als een pier. Wie weet hoe lang hij hem al gesmeerd is. En al die tijd zat hij in de tram.”
Geschokt door deze opmerking sloegen de reizigers verbluft hun handen voor de mond.
“Hij is dood, morsdood,” vervolgde Chris. “Het was een doodgoede kerel.”

OS

Over opvallende liefdesrelaties

Ik heb een voorliefde voor artikelen waarbij een nieuwsgierig makende titel de reactie oproept: ‘Hè, waar zou dat over gaan?’
Zo kwam ik onlangs in het AD een bericht tegen onder de kop ‘Vrouw die liefdesrelatie heeft met kroonluchter verliest discriminatiezaak tegen krant.’
Het bleek te gaan om de Engelse Amanda Liberty, een vrouw van 35 jaar, die een rechtszaak tegen tabloid The Sun had aangespannen, omdat die discriminerend zou hebben geschreven over haar liefdesrelatie met een oude kroonluchter. De inleiding luidt als volgt:
‘Amanda Liberty (35), een Britse vrouw met een extreme fascinatie voor antieke kandelaars en kroonluchters, heeft een rechtszaak tegen tabloid The Sun verloren. Liberty, die jaren geleden haar achternaam liet veranderen omdat ze smoorverliefd was geworden op een kleine replica van het Vrijheidsbeeld, had de krant aangeklaagd omdat in een artikel spottend was geschreven dat haar aantrekkingskracht voor een 92 jaar oude hanglamp abnormaal zou zijn. “Ik ben gediscrimineerd vanwege mijn seksuele geaardheid”, vertelt ze aan media in haar woonplaats Leeds.’
Het verloop van de rechtszaak is op zich boeiend, maar eigenlijk blijf ik hangen bij Amanda’s liefdesrelatie met een beeldje en een kroonluchter. Over haar warme gevoelens voor de oude verlichting vermeldt Amanda dat zij er momenteel wel een relatie mee heeft, maar nog niet in de echt is verbonden.
Amanda Liberty heeft thuis zo’n twintig kroonluchters en voelt zich gedreven om de ogen van mensen te openen voor erkenning van haar seksualiteit.
“Mijn liefde voor de van oorsprong Duitse Lumière is echt. Ik verwacht niet dat iedereen haar zomaar accepteert,” benadrukt zij.
Het leeftijdsverschil van ruim een halve eeuw tussen haar en de hanglamp hoeft volgens Amanda een goede relatie niet in de weg te staan. Zij is openhartig over haar lesbische verhouding met Lumière, “want ja, het is een vrouw.” Hoe ze haar liefde tot uiting brengt? “Knuffelen, strelen, poetsen en kussen. Haar vormen zijn zo mooi en onweerstaanbaar.”
Ooit heeft ze het Vrijheidsbeeld ingeruild voor de lamp, maar dat vindt Amanda geen probleem. “Daar had ik een open relatie mee toen de kroonluchter in mijn leven verscheen.”
Amanda kreeg jaren geleden de diagnose objectum-seksualiteit (OS), wat inhoudt dat ze daadwerkelijk intieme gevoelens heeft voor een voorwerp.
Dat Liberty niet de enige is bewijst enig onderzoek op internet. Zo vermeldt Wikipedia dat Eija-Riitta Wallis Winther Arja Nikki Lee Eklöf, geboren op 20 maart 1954 in Zweden en overleden op 31 oktober 2015 zichzelf Eija-Riitta Eklöf-Berliner-Mauer noemde en beweerde getrouwd te zijn met de Berlijnse muur. Ze bedacht de term ‘objectum-seksualiteit’ die de liefde van mensen voor objecten beschrijft.
Tijdens haar puberteit ontdekte Eija haar liefde voor de guillotine tijdens een tv-programma over dit onderwerp. Haar vader maakte voor haar een model en zelf bouwde ze er ook verscheidene op schaal, kleintjes en een hele grote. Eija speelde daarmee door een pop met enig ritueel te onthoofden. ’s Avonds nam ze haar guillotine mee naar bed, waarbij ze haar seksuele gevoelens deelde met het voorwerp.
Dan is er nog Erika Labrie, een bekende Amerikaanse boogschutter, die in 2007 met de Eiffeltoren ‘in het huwelijksbootje stapte’. Sindsdien gaat zij als Erika Eiffel door het leven. Ze kwam de Eiffeltoren voor het eerst tegen in 2004 en voelde een onmiddellijke aantrekkingskracht.
Eiffel staat in de boogschietwereld bekend als Aya en heeft vele internationale prijzen gewonnen. Ze is oprichter van OS Internationale, een organisatie voor degenen die significante relaties met levenloze objecten ontwikkelen. Ze beweert dat haar objectieve relatie met Lance, haar wedstrijdboog, haar hielp om een ​​boogschutter van wereldklasse te worden.
Verliefd worden op een voorwerp kan ook op kleinere schaal. De Zuid-Koreaan Lee Jin-gyu is verliefd op zijn ‘dakimakura’, een gigantisch lichaamskussen dat hij in Japan kocht. Op het kussen staat het beeld van tv-feeks Fate Testarossa, een personage uit de animatieserie Magical Girl Lyrical Nanoha. Ze daten al zes jaar.
De Brit Everard Cunion tenslotte ging in 2000 een relatie aan met zijn levensgrote etalagepop Caroline en heeft ondertussen negen ‘vriendinnen’ verzameld.
OS kan worden gezien als een vorm van fetisjisme, hoewel het bij objectum-seksualiteit puur om de liefde voor het voorwerp gaat, daar waar bij fetisjisme het voorwerp doorgaans een rol speelt in de seksuele relatie met andere personen. Iemand met OS zal het woord fetisjisme dan ook nooit gebruiken.

Het valt me op dat er bij de gevonden voorbeelden van OS liefde op de meest uiteenlopende voorwerpen wordt geprojecteerd, terwijl het heilige object bij uitstek in onze moderne tijd wordt genegeerd: geld.
In april was er naast de coronacrisis nogal veel ophef over de bonus van Ben Smith, de topman van Air France-KLM. Het ging om pak hem beet 1,5 miljoen euro bovenop zijn jaarsalaris van negen ton in een tijd dat de medewerkers van de vliegmaatschappij zich serieus afvroegen of zij hun baan konden behouden. Na wat geharrewar hield hij uiteindelijk een bonus van acht ton over. Ben Smith is helaas niet de enige. Met regelmaat doen de media verslag van topmannen die hun toch al riante jaarsalaris willen aanvullen met astronomische bonussen onder bedreiging van een overstap naar een concurrent, veelal in het buitenland omdat de normen daar veel hoger zouden liggen.
Zouden al deze graaiende en op geld beluste ‘toplui’ soms OS hebben? Een onweerstaanbaar seksueel verlangen naar een relatie met die waardepapiertjes? De vergelijking met Dagobert Duck dringt zich onstuitbaar aan mij op, waardoor ik beelden zie van in geld zwemmende toplieden in hun eigen geldpakhuis. Hun secretaresses hebben zij met klem beopdracht in de agenda ruimte te creëren voor dit soort erotische zwempartijen en ik beeld me in dat het matras waarop zij ’s avonds hun vermoeide lichaam neervlijen is volgepropt met euro’s of andere valuta. En natuurlijk is het naast hen liggende lichaamskussen uitdagend gekleed in een negligé van dollarbiljetten en kronkelt onze topman als een Rupsje Nooitgenoeg door zijn bed.

Maar ja, dat is maar fantasie hè …