
Over onachtzaamheid met grote gevolgen
‘Claude, kunnen we ergens stoppen? Ik moet ontzettend nodig naar het toilet,’ fluisterde Brigitte zachtjes tegen haar man.
Het zachtgroene schijnsel van het dashboardklokje lichtte vier uur in de ochtend. Op de achterbank van haar vaders Renault Scenic sliep de tweeëntwintigjarige Edith, met het hoofd op de schouder van haar moeder, een diepe slaap, een soort comateuze toestand waarin zij al vele uren vertoefde. Ongetwijfeld de aanleiding van Brigittes gefluister.
Claude hield van rijden in de nacht, de reden waarom zij pas in de loop van de avond vanuit Parijs vertrokken voor een veelbelovende vakantie in Marokko. Menigeen vond het strakke gestaar in het donker maar een inspannende bezigheid. Zo niet Claude, hij genoot mateloos. Het rustige verkeer, het vertrouwenwekkende gezoem van de auto, de wegzoevende lichten en het schimmige donkere landschap schonken hem een energieke rust, een gevoel nooit meer te hoeven slapen.
‘Volgens mij zie ik in de verte de lichten van een pompstation,’ fluisterde Brigitte hoopvol, als aanvulling op haar eerder gestelde vraag.
‘Je hebt gelijk. Kijk, we passeren juist het aanwijzingsbord.’
Opgelucht verliet Brigitte korte tijd later de auto voor een verlossend bezoek aan het toilet. Om te kunnen uitstappen bleek nog een hele operatie. Edith weigerde stelselmatig om met haar hoofd op het kussen van de zitting te gaan liggen. Door de diepte van haar slaap werkte zij elke vorm van medewerking tegen. Met een snurkende zucht schikte zij zich tenslotte in haar nieuwe lichaamshouding.
Nu ze toch bij een pompstation waren besteedde Claude zijn tijd nuttig met het vullen van de benzinetank. Op zijn gemak wandelde hij naar de nachtkassa en rekende het verschuldigde bedrag af. Eenmaal weer buiten haalde hij diep adem voor een teug zwoele vakantielucht.
‘Heerlijk toch hè, moet je nou eens voelen hoe lekker het nog is,’ mompelde hij tegen … ja tegen wie eigenlijk? Zonder iemand te bereiken losten zijn woorden in het donker van de nacht op. Stil nagenietend van dit intense moment, als prelude op een onvergetelijke vakantie, kroop hij achter het stuur van zijn auto en startte de motor.
‘We gaan er lekker van genieten, hè Brigitte,’ mompelde hij in de richting van de achterbank, ondertussen de parkeerplaats inspecterend voor eventueel naderend verkeer. Voldaan trapte hij het gaspedaal in om enige tientallen meters verderop de snelweg te vervolgen en de onderbroken rit naar warmer oorden te hervatten.
In alle rust zoefde Claude richting het zuiden en passeerde al gauw de lichtjes van de wereldberoemde wijnstad Bordeaux, waar hij, de borden Biaritz volgend, op de A63 terechtkwam.
We schieten al lekker op in de richting van de Spaanse grens, dacht Claude, terwijl een flinterdunne lichtstreep aan de oostelijke horizon onmiskenbaar de nieuwe dag aankondigde.
In de auto werd geen woord gesproken, zijn passagiers benutten hun reistijd als slaaptijd. Inmiddels ontwaakte de dag al grotendeels, niet alleen merkbaar aan het heldere ochtendlicht. De verkeersdrukte nam zienderogen toe, wat veel van Claudes aandacht en concentratie vroeg. Een uitgerekte geeuw vanaf de achterbank, duidelijk geproduceerd door zijn dochter, kondigde ook haar ontwaken aan.
‘O, wat heb ik lekker geslapen,’ mompelde Edith met een schuurpapieren stem voor zich uit. ‘Waar ergens zijn we nu, pap?’
‘Ook, goeiemorgen. Nou, we zitten ergens tussen Bordeaux en Biaritz. We schieten al lekker …’
Verschrikt gaf Claude een ruk aan zijn stuur, waardoor hij bijna in de berm belandde. Met moeite hield hij de auto in bedwang. Zijn antwoord aan Edith verdronk in een langgerekte ijselijke gil, afkomstig uit het diepst van zijn dochters keel.
‘Pàp, papààà, waar is mama?’ schreeuwde zij paniekerig, daarbij met beide handen haar vaders schouders heen en weer schuddend. ‘Mama is er niet, ze zit niet in de auto! Waar heb je haar gelaten?’
Met ogen als witte biljartballen keek Claude zijn dochter in de achteruitkijkspiegel aan, draaide zijn hoofd met een ruk naar de bijrijdersstoel en vervolgens naar de achterbank.
‘Dit kan niet, dit is onmogelijk,’ stamelde hij, de realiteit ontkennend. ‘Brigitte, waar ben je?!’ schreeuwde Claude ontzet, terwijl hij de vluchtstrook op schoot en uit alle macht het rempedaal indrukte, waarmee de auto gierend een dampend remspoor op het asfalt trok en bruusk tot stilstand kwam.
‘Politie Bordeaux, waarmee kan ik u van dienst zijn?’
‘Ach meneer, wilt u me alstublieft helpen? Ze is er niet meer, ik bedoel, ik ben haar kwijt, mijn vrouw. Ik dacht ze zit nog in mijn auto, maar niet dus. Ik weet niet waar ze is.’
Het kostte de dienstdoende agent, die toch echt wel wat gewend was en zeker als telefonist op veel was voorbereid, enorm veel moeite om een vraag in het nogal verwarde verhaal van de beller te ontdekken.
‘Meneer, rustig maar. Ik zal u proberen te helpen. Begrijp ik het goed dat u op reis bent en dat uw vrouw niet meer bij u in de auto zit?’
‘Ja precies. Ik denk dat ze bij de laatste stop niet is ingestapt. Ze moest ook zo nodig naar de wc. Ik ben toen gaan tanken en …’
‘Meneer, stopt u maar. Ik denk dat ik u begrijp. Ik vermoed dat het wel gaat lukken om uw vrouw te vinden,’ onderbrak de agent geruststellend het paniekerige relaas van Claude. ‘Kunt u mij noemen waar u voor het laatst bent gestopt?’
Vertwijfeld dacht Claude na, maar alsof een duistere zandstorm door zijn verwarde herinnering woedde, herinnerde hij zich niets meer.
‘Het spijt me agent, maar ik … ik kan het me niet meer herinneren. Ik denk dat het door de paniek komt of zo.’
Nadat de agent zijn gegevens had genoteerd en Claude met klem had verzocht om vooral te wachten, zette hij een zoektocht in gang. Een aantal surveillance-auto’s zocht alle pompstations en parkeerplaatsen in de omgeving af, echter zonder resultaat. De agent nam weer contact op met Claude.
‘Meneer Bernard? Ja daar ben ik weer. We doen ontzettend ons best, maar we hebben uw vrouw nog niet gevonden. Kunt u zich ondertussen wat meer herinneren?’
‘Nou agent, ik weet dat wij even in Orléans zijn gestopt, maar alleen weet ik niet precies meer waar. Heeft u daar wat aan?’
‘Dat is in ieder geval iets. Ik zal onze collega’s in Orléans vragen of zij ook een zoekactie willen opstarten. Het komt vast wel goed. Zodra ik meer weet, bel ik u terug.’
Orléans lag wel 500 kilometer noordelijker, een flink eind terug richting Parijs. Eigenlijk had Claude er een hard hoofd in, maar ja, je wist maar nooit. Hij was volledig in de veronderstelling dat zijn vrouw op de achterbank sliep.
Waarom moest ze dan ook zo nodig ineens naar het toilet, stom mens! dacht hij in een geïrriteerde opwelling.
Weer ging de telefoon. De trilling in de stem van de volhardende agent verried dat deze niet meer zo zeker van zijn zaak was.
‘Nou meneer Bernard, het spijt me om te zeggen, maar ook onze collega’s in Orléans kunnen uw vrouw niet vinden. U vertelde dat uw dochter met u meereist. Mag ik haar even aan de telefoon? Misschien kan zij me meer informatie verschaffen,’ vroeg hij hoopvol.
Maar Edith verklaarde dat zij kort na Parijs in een diepe slaap viel.
‘En als ik eenmaal slaap, merk ik niets meer, agent.’
‘Nou, dan pak ik het anders aan. Ik zal de bewakingsbeelden van alle tolstations op uw route bekijken. Kan even duren, maar dan weten we vast meer. Ik bel u terug,’ besloot hij met herwonnen optimisme.
Maar ook de camerabeelden verschaften geen bruikbare informatie. Te zien was dat het drietal vaak was gestopt, maar verder geen spoor van Brigitte. Als laatste mogelijkheid werd besloten om de telefoon van Brigitte te traceren en dat bleek raak. Ze stond op de A10, 300 kilometer ten noorden van de plaats waar Edith in paniek ontdekte dat haar moeder ontbrak. Gealarmeerde agenten ter plekke ontfermden zich over haar. Op het moment dat Brigitte van haar toiletbezoek op de parkeerplaats terugkeerde zag ze nog juist in de verte hun auto op de snelweg invoegen. In alle rust had zij zelf de politie benaderd om te vertellen dat haar man haar was vergeten.
Zodra Claude het verlossende telefoontje van de politie uit Bordeaux ontving, maakte hij samen met zijn dochter Edith rechtsomkeert om de laatste 300 kilometer in tegenovergestelde richting nogmaals af te leggen.
Van een gelukkig weerzien was weinig sprake. Aangezien de dag al aardig vorderde besloten ze met elkaar om in de buurt van de rampplek een hotel op te zoeken, waar twee kamers werden besproken: één voor Claude en één voor Edith en haar moeder. De onfortuinlijke Claude sliep die nacht in eenzaamheid.
