Maroc, nous voilà

‘Claude, kunnen we ergens stoppen? Ik moet ontzettend nodig naar het toilet,’ fluisterde Brigitte zachtjes tegen haar man.

Het zachtgroene schijnsel van het dashboardklokje lichtte vier uur in de ochtend. Op de achterbank van haar vaders Renault Scenic sliep de tweeëntwintigjarige Edith, met het hoofd op de schouder van haar moeder, een diepe slaap, een soort comateuze toestand waarin zij al vele uren vertoefde. Ongetwijfeld de aanleiding van Brigittes gefluister. 

Claude hield van rijden in de nacht, de reden waarom zij pas in de loop van de avond vanuit Parijs vertrokken voor een veelbelovende vakantie in Marokko. Menigeen vond het strakke gestaar in het donker maar een inspannende bezigheid. Zo niet Claude, hij genoot mateloos. Het rustige verkeer, het vertrouwenwekkende gezoem van de auto, de wegzoevende lichten en het schimmige donkere landschap schonken hem een energieke rust, een gevoel nooit meer te hoeven slapen.

‘Volgens mij zie ik in de verte de lichten van een pompstation,’ fluisterde Brigitte hoopvol, als aanvulling op haar eerder gestelde vraag.

‘Je hebt gelijk. Kijk, we passeren juist het aanwijzingsbord.’

Opgelucht verliet Brigitte korte tijd later de auto voor een verlossend bezoek aan het toilet. Om te kunnen uitstappen bleek nog een hele operatie. Edith weigerde stelselmatig om met haar hoofd op het kussen van de zitting te gaan liggen. Door de diepte van haar slaap werkte zij elke vorm van medewerking tegen. Met een snurkende zucht schikte zij zich tenslotte in haar nieuwe lichaamshouding.

Nu ze toch bij een pompstation waren besteedde Claude zijn tijd nuttig met het vullen van de benzinetank. Op zijn gemak wandelde hij naar de nachtkassa en rekende het verschuldigde bedrag af. Eenmaal weer buiten haalde hij diep adem voor een teug zwoele vakantielucht.

‘Heerlijk toch hè, moet je nou eens voelen hoe lekker het nog is,’ mompelde hij tegen … ja tegen wie eigenlijk? Zonder iemand te bereiken losten zijn woorden in het donker van de nacht op. Stil nagenietend van dit intense moment, als prelude op een onvergetelijke vakantie, kroop hij achter het stuur van zijn auto en startte de motor. 

‘We gaan er lekker van genieten, hè Brigitte,’ mompelde hij in de richting van de achterbank, ondertussen de parkeerplaats inspecterend voor eventueel naderend verkeer. Voldaan trapte hij het gaspedaal in om enige tientallen meters verderop de snelweg te vervolgen en de onderbroken rit naar warmer oorden te hervatten.

In alle rust zoefde Claude richting het zuiden en passeerde al gauw de lichtjes van de wereldberoemde wijnstad Bordeaux, waar hij, de borden Biaritz volgend, op de A63 terechtkwam.

We schieten al lekker op in de richting van de Spaanse grens, dacht Claude, terwijl een flinterdunne lichtstreep aan de oostelijke horizon onmiskenbaar de nieuwe dag aankondigde.

In de auto werd geen woord gesproken, zijn passagiers benutten hun reistijd als slaaptijd. Inmiddels ontwaakte de dag al grotendeels, niet alleen merkbaar aan het heldere ochtendlicht. De verkeersdrukte nam zienderogen toe, wat veel van Claudes aandacht en concentratie vroeg. Een uitgerekte geeuw vanaf de achterbank, duidelijk geproduceerd door zijn dochter, kondigde ook haar ontwaken aan.

‘O, wat heb ik lekker geslapen,’ mompelde Edith met een schuurpapieren stem voor zich uit. ‘Waar ergens zijn we nu, pap?’

‘Ook, goeiemorgen. Nou, we zitten ergens tussen Bordeaux en Biaritz. We schieten al lekker …’

Verschrikt gaf Claude een ruk aan zijn stuur, waardoor hij bijna in de berm belandde. Met moeite hield hij de auto in bedwang. Zijn antwoord aan Edith verdronk in een langgerekte ijselijke gil, afkomstig uit het diepst van zijn dochters keel.

‘Pàp, papààà, waar is mama?’ schreeuwde zij paniekerig, daarbij met beide handen haar vaders schouders heen en weer schuddend. ‘Mama is er niet, ze zit niet in de auto! Waar heb je haar gelaten?’

Met ogen als witte biljartballen keek Claude zijn dochter in de achteruitkijkspiegel aan, draaide zijn hoofd met een ruk naar de bijrijdersstoel en vervolgens naar de achterbank.

‘Dit kan niet, dit is onmogelijk,’ stamelde hij, de realiteit ontkennend. ‘Brigitte, waar ben je?!’ schreeuwde Claude ontzet, terwijl hij de vluchtstrook op schoot en uit alle macht het rempedaal indrukte, waarmee de auto gierend een dampend remspoor op het asfalt trok en bruusk tot stilstand kwam.

‘Politie Bordeaux, waarmee kan ik u van dienst zijn?’

‘Ach meneer, wilt u me alstublieft helpen? Ze is er niet meer, ik bedoel, ik ben haar kwijt, mijn vrouw. Ik dacht ze zit nog in mijn auto, maar niet dus. Ik weet niet waar ze is.’

Het kostte de dienstdoende agent, die toch echt wel wat gewend was en zeker als telefonist op veel was voorbereid, enorm veel moeite om een vraag in het nogal verwarde verhaal van de beller te ontdekken.

‘Meneer, rustig maar. Ik zal u proberen te helpen. Begrijp ik het goed dat u op reis bent en dat uw vrouw niet meer bij u in de auto zit?’

‘Ja precies. Ik denk dat ze bij de laatste stop niet is ingestapt. Ze moest ook zo nodig naar de wc. Ik ben toen gaan tanken en …’

‘Meneer, stopt u maar. Ik denk dat ik u begrijp. Ik vermoed dat het wel gaat lukken om uw vrouw te vinden,’ onderbrak de agent geruststellend het paniekerige relaas van Claude. ‘Kunt u mij noemen waar u voor het laatst bent gestopt?’

Vertwijfeld dacht Claude na, maar alsof een duistere zandstorm door zijn verwarde herinnering woedde, herinnerde hij zich niets meer.

‘Het spijt me agent, maar ik … ik kan het me niet meer herinneren. Ik denk dat het door de paniek komt of zo.’

Nadat de agent zijn gegevens had genoteerd en Claude met klem had verzocht om vooral te wachten, zette hij een zoektocht in gang. Een aantal surveillance-auto’s zocht alle pompstations en parkeerplaatsen in de omgeving af, echter zonder resultaat. De agent nam weer contact op met Claude.

‘Meneer Bernard? Ja daar ben ik weer. We doen ontzettend ons best, maar we hebben uw vrouw nog niet gevonden. Kunt u zich ondertussen wat meer herinneren?’

‘Nou agent, ik weet dat wij even in Orléans zijn gestopt, maar alleen weet ik niet precies meer waar. Heeft u daar wat aan?’

‘Dat is in ieder geval iets. Ik zal onze collega’s in Orléans vragen of zij ook een zoekactie willen opstarten. Het komt vast wel goed. Zodra ik meer weet, bel ik u terug.’

Orléans lag wel 500 kilometer noordelijker, een flink eind terug richting Parijs. Eigenlijk had Claude er een hard hoofd in, maar ja, je wist maar nooit. Hij was volledig in de veronderstelling dat zijn vrouw op de achterbank sliep. 

Waarom moest ze dan ook zo nodig ineens naar het toilet, stom mens! dacht hij in een geïrriteerde opwelling.

Weer ging de telefoon. De trilling in de stem van de volhardende agent verried dat deze niet meer zo zeker van zijn zaak was.

‘Nou meneer Bernard, het spijt me om te zeggen, maar ook onze collega’s in Orléans kunnen uw vrouw niet vinden. U vertelde dat uw dochter met u meereist. Mag ik haar even aan de telefoon? Misschien kan zij me meer informatie verschaffen,’ vroeg hij hoopvol.

Maar Edith verklaarde dat zij kort na Parijs in een diepe slaap viel.

‘En als ik eenmaal slaap, merk ik niets meer, agent.’

‘Nou, dan pak ik het anders aan. Ik zal de bewakingsbeelden van alle tolstations op uw route bekijken. Kan even duren, maar dan weten we vast meer. Ik bel u terug,’ besloot hij met herwonnen optimisme.

Maar ook de camerabeelden verschaften geen bruikbare informatie. Te zien was dat het drietal vaak was gestopt, maar verder geen spoor van Brigitte. Als laatste mogelijkheid werd besloten om de telefoon van Brigitte te traceren en dat bleek raak. Ze stond op de A10, 300 kilometer ten noorden van de plaats waar Edith in paniek ontdekte dat haar moeder ontbrak. Gealarmeerde agenten ter plekke ontfermden zich over haar. Op het moment dat Brigitte van haar toiletbezoek op de parkeerplaats terugkeerde zag ze nog juist in de verte hun auto op de snelweg invoegen. In alle rust had zij zelf de politie benaderd om te vertellen dat haar man haar was vergeten.

Zodra Claude het verlossende telefoontje van de politie uit Bordeaux ontving, maakte hij samen met zijn dochter Edith rechtsomkeert om de laatste 300 kilometer in tegenovergestelde richting nogmaals af te leggen. 

Van een gelukkig weerzien was weinig sprake. Aangezien de dag al aardig vorderde besloten ze met elkaar om in de buurt van de rampplek een hotel op te zoeken, waar twee kamers werden besproken: één voor Claude en één voor Edith en haar moeder. De onfortuinlijke Claude sliep die nacht in eenzaamheid.

Môage

Het belang van regelmatig bewegen wordt algemeen onderschreven, al brengt niet iedereen deze waarde even gewichtig in de praktijk. Bij dat regelmatig bewegen tellen niet zozeer de topsport-normen. Een gewoon wandelingetje geldt ook al als een goede onderhoudsbeurt. Eerlijkheidshalve moet ik toegeven dat ik me het meest tot die laatste categorie voel aangetrokken. Inmiddels behoort een verfrissende wandeling of een ontspannen fietstochtje tot mijn dagelijkse ritueel.

Dat ik niet de enige ben blijkt uit het aanzienlijke aantal gelijkgestemden dat ik op deze tochten ontmoet. Er wordt heel wat afgejogd, geskeelerd, gewielrend, gemountainbiked en gesnelwandeld. En dan heb ik het nog niet eens over de vele afgeleiden, zoals die rijdende crosstrainer waarbij de gebruiker met een verhit hoofd op een soort monsterstep danst. Of die langlaufer op rolletjes, die de halve rijweg benut om zijn snelheid op te bouwen en op peil te houden.

Laatst ontdekte ik in de wijdsheid van de Eempolder plotseling een oranje vlaggetje, dat gezwind boven een rietkraag vloog. Een paar tellen later schoot een bijbehorende, aerodynamisch gevormde zeepkist om de bocht tevoorschijn, die mij met een enorme snelheid in tegenovergestelde richting passeerde, mij daarmee een sociale toenaderingspoging in de vorm van een groet ontnemend. Want het slagen van dat laatste schept wel saamhorigheid, maakt niet uit tot welke bewegingscatechorie men behoort. Een simpele groet, al is het maar een achteloos ‘môage’, creëert toch een vorm van verbondenheid, van ‘met hetzelfde bezig zijn’, ongeacht of ik nu een fanatieke hardloper ontmoet of een langzaam schuifelend vrouwtje, dat juist haar groene poepzakje tevoorschijn tovert om de vers geproduceerde warme chocoladetoren van haar nuffige chihuahua op te ruimen.

Gaandeweg de jaren word ik bij het groeten steeds handiger met het inschatten van mijn slagingskansen, ingegeven door de lichaamstaal van de ander, waaruit ik kan opmaken of mijn ‘môage’ zal worden beantwoord.

Een wanhopig verloren groep buitenstaanders vormt de airpod-junkie, de sporter of wandelaar met van die witte uitgegroeide gehoorbeentjes. Totaal niet gericht op het opvangen van omgevingsgeluid, in tegendeel. Deze gehoorbeentjes zijn er juist om elke geluidstrilling van buitenaf te weren, door het creëren van een nieuwe geluidsbeleving in een zelfgekozen sfeer. Deze verslaafden kenmerken zich door een holle blik in de verte, gericht op de nieuwe wereld die zij tijdelijk in hun geest creëren. Om de een of andere reden dringt zich bij hun passage altijd weer het vervreemdende beeld van een zombie op. Het leeft en toch ook weer niet.

Heel soms, echt heel soms, tref ik een junkie die nog dicht bij de echte wereld staat, herkenbaar aan de kijkrichting van zijn of haar ogen. Draaien die, in de paar seconden van toenadering, in mijn richting, dan bestaat de kans dat mijn ‘môage’ wordt beantwoord met een hoofdknik of zelfs een verward ‘hai’. Ik ben er inmiddels achter dat die reactie niet door mijn stemgeluid wordt ingegeven, maar slechts door de beweging van mijn mond, die in het brein van de ander de connectie legt met de wetenschap ‘dit hoort bij geluid’.

Het meest wereldvreemde voorbeeld van een airpod-junkie trof ik aan op de parkeerplaats bij de Korte Duinen in Soest. Kort daarvoor passeerde de vrouw van middelbare leeftijd mij, juist op het moment dat ik een imposante heksenkring in de bosschage naast het wandelpad had ontdekt en uitgebreid stond te bestuderen. Uit haar samengeknepen-lippen-mond ontsnapte een monotoon gezoem als van een sjamaan en haar wazige oogopslag verried dat zij helemaal ‘in het moment’ was. Gefascineerd door haar zwevende tred observeerde ik in een moment van opperste verbazing de mediterende navelstaarder, waarna het mij, zij het met moeite, lukte om me weer op de heksenkring te concentreren. Toen ik even later de parkeerplaats betrad ontdekte ik dat zij bij haar auto, die pal naast de mijne stond, haar wandelschoenen afklopte. Blijkbaar was zij weer op aarde geland.

‘Môage,’ zei ik, een groet die blijmoedig met ‘hé, hallo,’ werd beantwoord. 

‘Nou we hier toch staan,’ vervolgde ik het prille contact, ‘mag ik vragen waarnaar je tijdens je boswandeling zo geconcentreerd luisterde?’

‘O, wat leuk dat je dat vraagt. Ja natuurlijk. Ik luister altijd naar zeegeluiden, dan kom ik helemaal tot rust. Door het meeslepende ritme van de golfslag maak ik me helemaal los, weet je. Ik heb nogal een druk bestaan en zou niet zonder deze wekelijkse shot natuur kunnen. Zou je ook moeten doen, het helpt echt. Maar ik ga er snel vandoor. Over tien minuten heb ik mijn volgende afspraak. Ik ben bang dat ik die al niet meer haal.’

En voor ik goed en wel besefte van welk natuurwonder ik zojuist getuige was, verliet ze met iets te hoge snelheid de parkeerplaats.

Familie van de airpod-junkie is de telefoonverslaafde, grofweg in twee groepen te verdelen: de sb-er en de mml-er, beiden niet te bereiken met een goedbedoeld ‘môage’.

De speaker-beller, afgekort sb-er, kenmerkt zich door veel decibellen, alle veroorzaakt zowel door de telefoonspeaker als de gebruiker zelf, die veelal met het geproduceerde volume de indruk wekt ook zonder mobieltje over de hele wereld verstaanbaar te moeten zijn. 

De mummelaar, afgekort mml-er, heeft evenals de airpod-junkie uitgegroeide gehoorbeentjes. Echter beschikt hij niet over een in de verte starende holle blik, maar beweegt zich al mompelend voort, zijn relaas onderstrepend met bijpassende armbewegingen, daarbij recht voor zich uitkijkend alsof hij zijn onzichtbare gespreksgenoot aankijkt. Een argeloze passant, onwetend van het bestaan van een mml-er, zal ongetwijfeld de neiging niet kunnen onderdrukken om te vragen ‘wat zegt u?’, geheel in de veronderstelling door de mummelaar te worden aangesproken.

Tijdens mijn ochtendwandeling vanmorgen kreeg ik zelf met dit fenomeen te maken. Wandelend over een viaduct ontving ik een appje van een goede vriend. Ik had legitieme redenen om dit bericht even snel te beantwoorden, waarvoor ik een korte stop gebruikte. Vervolgens wilde ik mijn telefoon weer in mijn jaszak opbergen toen ik bemerkte dat iemand mij rechts trachtte te passeren. Zeer ongebruikelijk daar links de gewoonte is. Bovendien was er aan de rechterzijde eigenlijk te weinig ruimte, waardoor wij bijna tegen elkaar botsten. Mezelf verontschuldigend deed ik een stap naar achteren, maakte met mijn linkerhand een uitnodigend gebaar en voegde vriendelijk toe: ‘Neem me niet kwalijk, ga je gang.’ Hierop antwoordde de man, zonder mij aan te kijken: ’Ja, dat hoeft nu niet meer,’ waarop hij zich omdraaide en terugliep.

Nogal verbaasd vervolgde ik mijn weg, waarna zich spoedig een onderdrukt gemompel opdrong. Schuin over mijn schouder constateerde ik dat de man mij op korte afstand volgde, zacht voor zich uit mummelend. Uit zijn oren staken twee witte gehoorbeentjes, die verklaarden dat de zojuist gemaakte opmerking niet voor mij was bedoeld. O, een mml-er dacht ik gniffelend, terwijl ik zacht voor mij uit mompelde:

‘Môage.’

Het vrolijke afscheid

Voor Jef Maes leverde het bezoek aan zijn huisarts niet op wat hij hoopte. De laatste weken voelde de zelden zieke gepensioneerde Antwerpse leraar zich uitzonderlijk vermoeid. Zijn huisarts kende hij nauwelijks, simpelweg doordat een consult, dankzij Jefs ijzeren gezondheid, nooit nodig bleek. De doorgaans uitermate positief ingestelde oud-leraar vond in zijn lichamelijke malaise dan ook een goede aanleiding om zich eens aan zijn huisarts voor te gaan stellen, vanuit de verwachting dat deze zijn ongemakkelijke hindernis op de nog maar kort ingeslagen pensionado-weg met een of ander pilletje wist te verhelpen. Nader onderzoek in het ziekenhuis bleek echter geen overbodige luxe en de kort daarop volgende uitslag een mentale dreun van formaat: uitgezaaide darmkanker in een niet meer te behandelen stadium, waarbij hem nog slechts enkele maanden aan levenstijd werd voorspeld.

Wat volgden waren enkele moeilijke bezinningsdagen: hoe om te gaan met dit zwarte perspectief?

Geheel in Sjefs stijl kwam hij al snel tot de slotsom dat in zwaarmoedigheid zijn levenseinde afwachten totaal niet bij hem paste. Zijn hele leven straalde tot nu toe een onbegrensd optimisme uit en in die geest wilde hij dan ook de resterende maanden invullen.

Tijdens zijn onderwijsloopbaan hadden de vele scholieren die ooit tot zijn educatieve doelgroep behoorden, hem leren kennen als een man in het moment, iemand die van bijna ieder moment een aantrekkelijk feestje probeerde te maken, om zo de zelfs meest verstokte anti-leerling aan het leren te krijgen. Een instelling die vaak verbluffende leerresultaten opleverde, waarbij het bespelen van zijn geliefde accordeon doorgaans van doorslaggevende invloed bleek. Overigens maakten vrienden en familieleden ook graag van zijn muzikale talent gebruik om informele samenkomsten naar een sfeervol niveau te tillen, waardoor mensen hem doorgaans beter onder zijn bijnaam Jef Trekzak kenden.

In aanloop naar zijn definitieve levenseinde ontstond bij Jef als vanzelfsprekend een vrolijk plan om van platgetreden paden af te wijken en zelfs zijn levenseinde aan te kunnen grijpen om mensen vanuit zijn talent iets mee te geven.

Na het ontluisterende bericht van de arts over zijn naderende einde bleek Jef niet meer dan drie maanden te resteren. Een alles behalve saaie periode overigens, die hij ten volle benutte om de dag van zijn crematie voor te bereiden. Er werden 180 vrienden en familieleden uitgenodigd in de tuin van een chic restaurant in de buurt van het crematorium. Slechts zijn boezemvriend Gust en zijn lievelingsnicht Hadewych had hij in de voorbereiding meegenomen, vooral om te kunnen controleren of het chique restaurant haar opdracht correct zou uitvoeren.

Alsof de natuur ook een duit in het zakje van deze memorabele dag wilde doen scheen de zon voluit. In de prachtig aangelegde restauranttuin kregen de gasten bij aankomst een lootje voor een tombola en werden verder door een heus accordeonorkest verwelkomd, waarbij de genodigden, begeleid door de vrolijke muziek en onder het genot van heerlijke hapjes en drankjes, zich konden vergapen aan tal van kraampjes met hoogtepunten uit het leven van Jef. Zo was er een kraampje over dans, over de basisschool waar hij met veel plezier had lesgegeven, over bier brouwen en over accordeon spelen, zijn muzikale passie. Aan het einde van de middag werden alle gasten zelfs uitgenodigd om met elkaar een dansje te wagen, waardoor de herinneringsbijeenkomst meer het karakter van een bruiloftsfeest dan van een crematieplechtigheid uitstraalde.

Voordat Gust en Hadewych een select gezelschap van naaste familieleden naar het nabijgelegen crematorium begeleidden, een vrolijke wandeltocht van slechts enkele minuten achter de baar van Jef, werden er bij het kleine podium, waarop het accordeonorkest was gezeten, door tal van sprekers blijde en vrolijke hoogtepunten uit Jefs leven aangehaald, waarbij menig uitbundige lachsalvo de opgewekte en blijmoedige levensverhalen onderstreepten. Hierna werden de bezoekers verzocht hun eerder uitgereikte lootjes in de hand te nemen, waarmee zij waardevolle bezittingen van Jef konden winnen, zoals zijn schilderijen, een broodmachine, zijn wasmachine en als hoofdprijs een BMW-cabrio, die onder luid gejuich door een oud-collega van Jef werd gewonnen. Tenslotte kreeg iedereen een toepasselijke goodiebag met persoonlijke snuisterijen van Jef mee naar huis.

Volgens Jefs zuster Greet was het feest een daverend succes en helemaal in de stijl van haar broer.

‘Jef had zijn feest goed uitgekiend. Jammer dat hij er zelf niet bij kon zijn,’ vertelde ze aan wie het maar horen wilde.

Knoppenmacht

Machtsmisbruik. Bijna dagelijks staat dit stevige meergangenmenu op de media menukaart. De vaak hartverscheurende beelden kleven moeiteloos op het netvlies. Aan flarden geschoten steden, desperate mensen, uitgehongerde families slechts gevoed door alles overheersende radeloosheid en brallende toespraken van zichzelf rechtvaardigende leiders. Maar het grootste bewijs van machtsmisbruik en zinloosheid roepen de beelden van om eten smekende kinderen op. Hongerende kinderen met wanhopige holle ogen, nog nauwelijks tot huilen in staat. Hun enige wapen vormt een lege pan, waarmee ze heftig zwaaiend de aandacht van voedselverdelers proberen te trekken, met het risico van verdrukking of rondvliegende kogels, puur ter intimidatie en angstinboezeming.

Voor ons als ‘toeschouwers’ schuilt een sluipend gevaar in die dagelijkse herhaling, in die terugkerende confrontatie met deze onmenselijke beelden: gewenning. Een gevoel van afstomping, waardoor we onze aandacht dreigen te verleggen. Beelden die aanvankelijk ongekend schokkend dit machtsmisbruik de wereld inslingerden kunnen door hun overdosis een averechtse uitwerking teweegbrengen. Goedbedoelde pogingen van enkele welwillende leiders en politici om het tegendeel te bereiken stranden doorgaans in een schimmige wirwar van belangenverstrengelingen en machtspolitiek. En zo kan dan normalisering of stilzwijgende acceptatie ontstaan door het uitblijven van consequenties voor de veroorzakers, zich bevestigend in de verzuchting dat dit er nu eenmaal bijhoort.

Machtswellust en machtsmisbruik lijken niet zonder elkaar te kunnen, alsof ze elkaars bestaan rechtvaardigen. Het ongebreideld macht uitoefenen over het leven en handelen van anderen lijkt in een verslavende behoefte te voorzien, als een soort ghreline, een hongerhormoon dat permanent bevrediging zoekt. 

Door de dagelijkse vloed aan mediabeelden ben ik geneigd deze uitwassen van de menselijke psyche aan de grote wereldverhalen en haar leiders toe te dichten. Maar zij komen in alle lagen van de samenleving voor, ook in de zogenaamde kleine wereld dichtbij, zoals ik dezer dagen, op achteraf vermakelijke wijze, heb ervaren.

Steeds luider om vernietiging smekend vulde mijn schuur zich met overblijfselen van het luxe leven. Vaker en vaker werd ik gedwongen om acrobatische toeren van klein formaat uit te voeren voor zoiets simpels als het pakken van mijn fiets. Mijn neiging tot het vooruitschuiven van problemen ten spijt, besloot ik toch maar om de groeiende berg afval te elimineren. De zon scheen aangenaam en de temperatuur was heerlijk, omstandigheden die mijn gemoed positief bespeelden, waardoor ik besloot mijn opruimknelpunt niet langer in stand te houden.

Met een volgeladen auto reed ik welgemoed in de richting van het lokale milieubrengstation, een gemeentelijk servicepunt dat wij thuis doorgaans met ‘vuilstort’ aanduiden. Een terrein waar je, na het passeren van een kleine slagboom, je huishoudelijk afval milieuverantwoord kunt scheiden en weggooien. De aanrijdroute bedroeg enkele tientallen meters, een simpel te nemen barricade zo leek het. Echter niet nu, want een lange rij wachtende auto’s vulde het kleine oprijlaantje tot aan de openbare weg. Gelaten vulde ik de laatst overgebleven plek in de wachtrij op, een handeling die voor een groot aantal gelijkgestemden onmogelijk bleek, daar de ronkende file op geen enkele wijze in beweging kwam. Verveeld zette ik de autoradio aan in een poging de tijd te versnellen. Het aantal wachtenden groeide ondertussen gestaag, nu echter op de openbare weg, waardoor het verkeer compleet vast liep. Passerende automobilisten trokken al snel hun conclusie en gebruikten het trottoir als illegale vluchtroute. 

Met de gemiddelde snelheid van één autolengte per minuut kroop ik in de richting van de toegangspoort, ondertussen redenen bedenkend voor dit opmerkelijke oponthoud. Met groeiende ergernis naderde ik de oorzaak van dit niet alledaagse ongemak, belichaamd door een vlezige slagboomambtenaar die, met zijn brede rug minachtend naar het vuilstortende publiek in spé gericht, een geanimeerd gesprek voerde met een even corpulente collega. Met eeuwenlange tussenpozen zinde het de varaanachtige om het omvangrijke hoofd naar zijn smachtende publiek te draaien, waarbij zijn reptielenogen de nietsvermoedende prooi emotieloos aanstaarden. Om deze patstelling te doorbreken somden de meeste slachtoffers hun lijst van meegebrachte materialen op, waarop het vadsige reptiel een trage en uitgebreide opsomming van stortpunten met bijbehorende nummers startte. Na nog een pijnigende interval van vele seconden verscheen er eindelijk iets van valse emotie op het reptielengezicht, alsof de varaan dacht: nu bijt ik mijn ziekelijke gif in je achterpoten.

Eindelijk, ja eindelijk dan drukte hij vergenoegd op de bedieningsknop van de slagboom, die de zichtbaar opgeluchte klant de zo vurig gewenste toegang tot het milieubrengstation verschafte. Terwijl de slagboom nog daalde zette de machtsgeile ambtenaar ondertussen het gepauzeerde animatiegesprek voort, wederom zijn rug tonend aan de niet begrijpende volgende klant. 

Hij genoot er zichtbaar van, machtswellust ten top.

Dit ritueel herhaalde zich bij alle auto’s voor mij en verschafte een tot op de seconde nauwkeurig inzicht in dit ongenadige machtsspel. Ik zette mij schrap en opende strijdvaardig mijn raampje. Aanval is de beste verdediging, besloot ik, duidelijk van plan om niet af te wachten maar hem vermanend toe te spreken. Doch de tactiek van mijn opponent bleek ondoorgrondelijk. Op het moment dat ik diep ademde om een zo duidelijk mogelijk stemgeluid te produceren, draaide de man zich verrassend snel om en sloot het schuifraampje, waarna hij samen met zijn collega het portiersgebouwtje verliet om in trage waggelpas een onbestemde missie te volbrengen.

Na vijf eeuwigdurende minuten doemde de omvangrijke gestalte weer op, zich onbewust van een naderend onheil. Na een trage landing op zijn portiersstoel opende hij langzaam het schuifraampje en keerde mij, zoals gebruikelijk, de rug toe om een ongetwijfeld belangrijk gesprek te starten met een nieuwe collega. Op dat gedenkwaardige moment greep ik mijn mobiele telefoon en startte een lawaaierig nep telefoongesprek, daarbij mijn portierraam sluitend om rustiger te kunnen praten. In eerste instantie volhardde de portier in zijn collegiale conversatie, een misrekening eerste klas. De inmiddels immense rij automobilisten achter mij was deze schijnvertoning blijkbaar meer dan zat, getuigend het grote aantal bestuurders dat uit hun auto sprong om zich naar voren te haasten. De portier ondertussen bemerkte de ontstane ophef en opende verontrust zijn schuifraampje, waarop hem op niet te verstane wijze de huid werd volgescholden. Behoorlijk van zijn stuk gebracht opende hij de slagboom in de veronderstelling dat ik die geboden kans dankbaar zou aangrijpen. 

Fout! Een tweede kapitale blunder binnen de snel veranderende machtsverhoudingen. Het belang van mijn nep conversatie was dusdanig groot, dat de aangereikte ontsnappingsmogelijkheid door mij zeer doeltreffend werd geweigerd, ondanks de wanhopig gebarende portier. Juist op het moment dat de meute aanstalte maakte om zich tegen mijn getelefoneer te keren, groette ik de ontwaakte varaan met een vriendelijk handgebaar en reed zo snel mogelijk het terrein op, waarna de meute haar woede weer op de portier begon af te reageren. Met het risico dat de overspannen chauffeurs hun opgebouwde gram alsnog op mij zouden verhalen, reed ik breed glimlachend direct door naar de uitgang. Het afvalprobleem zou ik later wel oplossen. Licht beschaamd constateerde ik dat ik best wel van dit onverwachte machtsmisbruik genoot.

De eendenkenner

Over schaamteloos bedrog

Om optimaal te kunnen genieten heb je over het algemeen niet veel nodig, alhoewel het tegendeel hardnekkig haar best doet om haar gelijk te bewijzen, afgaand op de imponerende getuigenissen waarmee vrienden en kennissen mij tijdens sociale verplichtingen, zoals recepties, proberen in te palmen. De quasi nonchalante verslagen van indrukwekkende wereldreizen of overweldigende evenementen, veelal gelardeerd met toevoegingen als ‘ben je daar nog niet geweest?’ of ‘daar moet je beslist heen gaan, dat is écht iets voor jou’, geven mij vaak het gevoel een gesprek te voeren met een dwangmatige gedragswetenschapper die na een persoonlijkheidsonderzoek van luttele seconden mij opzadelt met een beschamend minderwaardigheidscomplex bij zelfs al een vermoeden van het ongelijk van de spreker. Alleen al mijn onuitgesproken gedachte ‘ja maar dat lijkt me helemaal niets, ik zou me daar doodvervelen’ doet mijn kaken met schaamrood kleuren. 

Ik behoor tot de categorie die van zogenaamde banaal alledaagse ervaringen mateloos kan genieten. Zo kan een woordeloze fietstocht langs het Eemmeer met uitzicht op haar rimpelloze wateroppervlakte, zich uitstrekkend tot een wazige blauw-groene einder en overkoepeld door een oer-Hollandse wolkenlucht, mij het gevoel geven een waardevol en diepzinnig gesprek te voeren. Probeer dat maar eens uit te leggen in de herrie van zo’n receptie. Bovendien denk ik niet te scoren bij een poging de gedragswetenschapper te overtuigen met de woorden ‘dat is écht iets voor jou!

Ik vermoed dat de groep mensen, die over hobby’s of interesses beschikt met de veronderstelling van een door anderen onvoorwaardelijk gedeeld enthousiasme, schrikbarend groot is. Zo voerde ik onlangs, onder aanzienlijk rustiger condities dan de eerder genoemde receptie, een gesprek met ene Jari, wiens achternaam ik helaas ben vergeten. Jari behoorde tot het soort mensen dat het beste valt te karakteriseren met het signatuur type-vertegenwoordiger: prima contactuele vaardigheden, verzorgd uiterlijk ondersteund door een strak maatpak, het gevoel gevend uitstekend te kunnen luisteren om daarna snel met zijn eigen verhaal te komen.

Jari bleek over een grote voorliefde voor eenden te beschikken. Na een korte toelichting bedoelde hij niet zozeer de vaak prachtig gevederde dieren in de uitgestrekte parkvijver. Nee, Jari beschikte over een niet te evenaren voorkeur voor een specifieke eendensoort: de met liefdevolle aandacht toebereide eend op het handwarme bord in een willekeurig restaurant. Alleen al de gedachte aan deze edele diersoort liet zijn gezicht getuigen van zijn voorliefde voor deze vogel. Van tevoren verzekerd van een vermelding op de menukaart reisde Jari minimaal twee keer per maand naar een restaurant ergens in Nederland voor een smaakvolle ontmoeting met zijn geliefde vogel in tal van variaties. Gerookte eendenborst met kruiden en sinaasappeldressing, rendang met bebek (Maleis voor eend), gebraden eend met knolselderij, prei, vijgen en paddestoelen of, doe eens gek, een parmentier met eend. Jari kon het allemaal waarderen, als het recept maar eend bevatte. Natuurlijk waren bepaalde gerechten toegankelijker, maar geen enkele had zijn duidelijke voorkeur, waardoor hij nooit teleurgesteld huiswaarts keerde, op één enkele keer na.

In een vlaag van onoplettendheid koos Jari ongeveer een half jaar geleden een restaurant in Den Bosch uit dat een onvergetelijke indruk zou nalaten. De website beloofde een smaakvol resultaat, een belofte die, op zijn zachtst gezegd, niet geheel werd nagekomen. 

Bij binnenkomst viel het restaurant direct op door haar gebrekkige en aftandse outillage. Op zich zei dat nog niets over de kookkunsten van de kok, dit had Jari vaker bij de hand gehad.

Zonder uitgebreide toelichting vermeldde het menu Canard d’Anjou en beloofde een verfijnde wilde smaak die met niets anders te vergelijken viel. Achteraf bleek dat laatste te kloppen, maar daarvan was Jari op dat moment nog onwetend en bestelde verwachtingsvol de veelbelovende Canard d’Anjou, die korte tijd later dampend en ogenschijnlijk aandachtsvol toebereid uitnodigend voor hem op tafel werd geserveerd. De aroma’s deden hun zinnenprikkelende werk, waardoor Jari’s mond zich al snel met speeksel vulde als een waterbekken tijdens een groeizame regenbui. Het door de ober achteloos gemompelde ‘eet u smakelijk’ gold als het startsein voor een culinaire zoektocht door een voor Jari nog onbekend smakenlandschap. Voorzichtig sneed hij het gevogelte aan. 

In Anjou krijgen eenden blijkbaar niet zoveel te eten, luidde plotseling een niet te onderdrukken gedachte, waarna Jari het aangesneden stukje vlees naar zijn mond bracht, dat bij binnenkomst een onverwachte reactie opriep. Een muffe grondsmaak vulde de holte waarbinnen zich doorgaans extatische smaakervaringen afspeelden. Bovendien werd Jari met een dusdanige taaie weerstand geconfronteerd, dat de best wel enthousiast grote brok vlees zich absoluut niet liet verorberen. Met veel moeite wist Jari de volhardende klomp achter een kies weg te werken, waardoor zijn wang een ontstoken gebit suggereerde. Een plotseling toiletbezoek voorwendend gebaarde hij veelbetekenend naar de nietsvermoedende ober, die iets van ‘links achterin meneer’ mompelde. De aangegeven richting volgend schuifelde Jari zich uit het zicht. Nergens werd het toilet met een bordje aangegeven, waarop Jari op goed geluk de eerste de beste deur opende. In plaats van de gezochte retirade belandde hij in een soort wasruimte, waar een ondraaglijke rotte lucht de bedompte kamer vulde. Al snel ontdekte Jari de veroorzaker. Middenin stond een soort wasrek waaraan met enkele knijpers de uitgedroogde karkassen van op vogels lijkende  kadavertjes hingen. Hun opengesperde snavels omvatten de dunne roestige spijlen van het rek en vanuit de uitgemergelde kopjes staarden donkere ogen wezenloos in Jari’s richting, als een woordeloze aanklacht over het aangedane onrecht. 

In een fractie van een seconde realiseerde Jari zich de relatie tussen het troosteloze gevogelte en de homp vlees achter zijn kiezen, waarna hij die kokhalzend uitbraakte. Vliegensvlug toverde hij zijn mobiele telefoon tevoorschijn, waarna Google Lens hem vertelde dat het om de karkassen van wilde duiven ging.

Totaal ontdaan betrad hij het restaurant, waarna hij aan de ober verklaarde hoognodig behoefte te hebben aan een nicotineshot en zich vervolgens naar het terras begaf. Ogenblikkelijk zette hij het op een flink drafje in de richting van het station, de ober met een lopende rekening achterlatend en een desillusie rijker.

Drinkebroers

Met enige regelmaat en veel plezier steek ik mijn energie graag in museumbezoeken, wat soms onverwacht verrassende ervaringen oplevert. Het bezit van een museumkaart heeft als voordeel tentoonstellingen te kunnen bezichtigen die ik wellicht niet zo snel zou hebben uitgekozen. Dat geldt natuurlijk niet voor de grote bekende exposities, hoewel het Rijksmuseum, waar ik onlangs van haar overweldigende hoeveelheid kunstschatten heb genoten, een welgemeende uitzondering vormt. Na haar ingrijpende renovatie was het nog niet van een bezoek gekomen en dus werd het hoog tijd sinds mijn laatste bezichtiging ten tijde van mijn middelbare school, een historisch aantal jaren geleden dus.
In een van de indrukwekkende zalen hangen prachtige werken van Jan Steen, met voor hem kenmerkende chaotische en vrolijke taferelen van onder anderen een vrolijk huisgezin, exemplarisch voor wat later ‘een huishouden van Jan Steen’ zou heten.
Ook in het Mauritshuis in Den Haag hangt zo’n schilderij uit die serie met de veelzeggende titel ‘Soo voer gesongen, soo na gepepen’, dat in hedendaags Nederlands zoveel betekent als ‘Slecht voorbeeld doet slecht volgen’. Een huiselijk tafereel met naar verluidt zijn eigen gezin met drie generaties als model, waarin de drank rijkelijk vloeit en de schaterende vader (waarmee Jan Steen vol zelfspot zichzelf heeft afgebeeld) een van zijn kinderen uit een lange witte pijp leert roken. Alle aanwezigen lijken in een schalkse bui, waarbij zijn echtgenote Grietje van Goyen als wulpse vrouw met diep decolleté zich de alcoholische drank nog eens rijkelijk laat inschenken.
Die drank speelt in Jans leven ook op een andere manier een rol en wel in zijn Delftse periode, waar hij een bierbrouwerij runt en zelf als een goede klant bij de bevolking bekend staat. Jan Steen blijkt geen uitmuntende zakenman, daar de brouwerij na drie jaren alweer wordt opgedoekt. Wellicht speelt zijn eigen drankgebruik daarbij een rol van betekenis.
 
Dat rijkelijk drankgebruik kan verbroederen en desondanks tot nogal bizarre situaties kan leiden, bewijzen Geert Pereboom en Karel Deurneboer. Als drinkebroers van het eerste uur laten zij geen gelegenheid passeren zonder het glas te heffen, omdat er ‘wat’ moet worden gevierd. Wat dat ‘wat’ inhoudt maakt hen totaal niets uit. Het gaat de vrienden niet zozeer om de inhoud van de boodschap, dan wel om de inhoud van hun glazen. Zo kan bijvoorbeeld het plegen van een kleine aankoop voor beiden al een reden zijn tot een gezamenlijk bezoek aan hun geliefde stamcafé, om daarmee hun nieuwe aanwinst eens uitgebreid te vieren. Bij het verzinnen van dit soort gedenkwaardigheden blijken de twee vrienden over een scherp ontwikkeld creatief vermogen te beschikken. Natuurlijk grijpen zij grootse aangelegenheden als ‘het kampioenschap van hun favoriete cluppie‘ aan, maar ook minder voor de hand liggende aanleidingen als ‘vandaag schijnt de zon’ of ‘ik kan mijn ene been nog voor het andere krijgen’. Het maakt hen niet uit, zolang er maar iets ‘te verbroederen’ valt, zoals zij dit zelf noemen.
 
Dat dit ongebreidelde drinkebroederschap uiteindelijk zijn prijs heeft valt de beide vrienden op zekere dag rauw op het dak. De anders zo uitgelaten Geert staart tijdens hun zoveelste viermoment in hun geliefde café somber voor zich uit, ondanks Karels pogingen om hem met zijn caféhumor op te beuren. Uiteindelijk staakt Karel zijn inspanning en waagt er een serieuze vraag aan.
‘Nou Geert, wat is er met je man? Je zit te kniezen met een gezicht als een graftombe. Voor de dag ermee, wat zit je dwars? Heb ik iets verkeerds gezegd of zo?’
Met de droevige blik van een Droepiehond staart Geert zijn vriend enige tellen aan. Hij zoekt duidelijk naar woorden om zijn pijnlijke boodschap de wereld in te helpen. Dan komt het hoge woord eruit.
‘Het is klaar, Karel. Over en uit.’
Even valt hun conversatie stil. De gezellige cafégeluiden bereiken hun oren niet meer.
‘Wat bedoel je nou? Is je huwelijk met Carolien gestrand? Dat kan toch niet? Jullie zijn een prima koppel, een twee-eenheid. Bij jullie scheiding kan ik me niets voorstellen. Heeft ze een ander of zo? Of … nee Geert, dat meen je niet. Je hebt toch zelf niet buiten de pot gepiest?’
Er verschijnen enkele tranen in de ogen van de anders zo stoer klinkende drinkebroer, voor Karel het bewijs dat hij de plank volledig heeft misgeslagen. 
‘Nee Karel, het is over, ik heb niet lang meer te gaan.’
Met een groezelige zakdoek dept Geert vluchtig zijn ogen.
‘Ik kreeg allerlei rare klachten en ben toen naar de huisarts gegaan, die me voor onderzoek doorstuurde naar het ziekenhuis. Mijn lever blijkt kapot, die doet niet veel meer. Een paar maanden, dan is het voorbij.’
Moedig herpakt Geert zichzelf, heft zijn glas en zegt:
‘Maar proost jongen, laten we het leven vieren zolang het nog kan.’
 
Na slechts een maand blijkt het glas definitief leeg te zijn. In alle rust blaast Geert in de nacht van maandag op dinsdag zijn laatste adem uit, met slechts één wens: vier mijn afscheid in stijl.
Wat hij daarmee bedoelt laat zich raden. Na een korte en sobere plechtigheid verzamelen de rouwende familieleden en genodigden zich in de ontmoetingsruimte van het stemmige crematorium om het op een ongegeneerde drinkpartij te zetten, waarbij Karel zo vaak op zijn vriend en het leven toost, dat hij binnen enkele ogenblikken nog slechts de taal van de dubbele tong spreekt.
‘Lik moet leven naar let toilet,’ lispelt hij in het vlezige oor van een onbekende tafelgenoot, waarna hij zich vermoeid en met wankele dronkenmanspassen in de richting van het toilet begeeft. Op de plaats waar Karel de wc’s veronderstelt blijkt men het opschrift van de bordjes vervangen te hebben door het opschrift ‘mortuarium’, een detail dat volledig aan zijn wazige opmerkzaamheid voorbij gaat.
Wat is het hier donker en wat zijn die toiletten laag, denkt hij bij de aanblik van een schimmige prullenbak in de hoek.
Moet je nou kijken, er staat hier een bed. Dat komt goed uit, want ik ben zo moe als een hazewindhond na zijn kampioensrace. 
Met ongecoördineerde inspanning klimt Karel in het veronderstelde bed en vlijt zich vergenoegd op het als satijn aanvoelende matras neer, waarna hij volledig van de wereld raakt.
 
Gespeend van enige vorm van bijgeloof ervaart de toegewijde uitvaartmedewerker, die verantwoordelijk is voor het openen van het crematorium, de volgende dag toch wel een twijfelmoment bij de confrontatie met een afgrijselijk gekrijs dat aan de stilte van het mortuarium ontsnapt. 
Hoe is het mogelijk? Zou het dan toch waar zijn, dat van die dolende geesten, denkt hij verschrikt met de nekharen overeind en het kippenvel op de armen.
Met enige aarzeling opent hij voorzichtig de deur naar het lijkenhuis om vervolgens niet begrijpend een onalledaags schemerig tafereel te aanschouwen. In een lijkkist, behorend tot de duurdere exemplaren, zit een verwarde en wild om zich heen zwaaiende man te krijsen dat hij nog niet dood wil en terug wil keren naar de wereld.
Vliegensvlug legt de medewerker de relatie met het nogal ongewone drinkgelag, dat gisteren plaatsvond. Met een sarcastische grijns om zijn mond kruipt hij als vanzelfsprekend in een nieuwe rol.
‘Weest u maar gerust, meneer. Ik ben de aartsengel Gabriël. Natuurlijk gaat u nog niet dood. Ik zal u zonder problemen weer naar de wereld brengen hoor,’ waarna hij het ‘levende lijk’ met een paar ervaren handelingen uit de kist bevrijdt en naar de wereld begeleidt. 
Opgelucht werpt Karel zijn reddende engel enkele dankbare blikken toe.