Snippers zijn columns of korte verhalen die maandelijks worden gepubliceerd

Sjors

Over een doodgoede kerel

Sjors, niemand kende zijn achternaam ondanks zijn status van stadsbekendheid, reisde dagelijks met lijn 4 vanaf Delfshaven naar halte Burgemeester van Kempensingel, helemaal in Hillegersberg. Op zich geen beroemd makende activiteit, ware het niet dat hij op een niet navolgbare wijze gedurende de reis van zich liet horen.
Sjors liet zich moeilijk vangen in een stereotype, hij was zogezegd behoorlijk uniek, absoluut niet zoals een ander. Met een hoge kopstem zingend verliet hij ’s ochtends de woning, waar hij een kamertje huurde bij een oude stokdove hospita. Af en toe onderbrak hij zijn zelf gecomponeerde melodieën met een vrolijke groet naar een passant. Niemand sloeg hij over. Velen troefden hem al spoedig af met een “Ha Sjors!”, waardoor hij op den duur als een vrolijke kleurrijke wolk door de straten zweefde. Zijn omgeving lichtte helder op door zijn aanstekelijkheid. Eenmaal in de tram gezeten wisselde hij van tijd tot tijd van zitplaats om een gezellige burenbabbel op te starten, voor nieuwkomers aanvankelijk een verbazingwekkend fenomeen. Wie kende niet het beeld van het parkbankje waarop twee keuvelende vriendinnen geheel opgaand in elkaar zich onttrokken aan hun omgeving, totdat een vreemde man net iets te dichtbij naast hen ging zitten. Ongemakkelijk creëerden de twee een veilige afstand door iets opzij te schuiven met een veelzeggende zijdelingse blik, alsof de man een besmettelijke ziekte zou overbrengen.
Sjors was het toonbeeld van bereidwilligheid en behulpzaamheid. In een overvolle tram stond hij net zo makkelijk op voor een bejaarde of zwangere vrouw als het geven van een hand. Ook anderen spoorde hij hiertoe aan, niet aanmatigend maar dusdanig spontaan eigen, dat de stoelbezetter niet kon weigeren. Dreigde een jonge moeder haar kinderwagen niet op tijd naar binnen te krijgen, dan was Sjors er als de kippen bij om die klus te klaren om vervolgens neuriënd zijn plaats weer op te zoeken, uiteraard nadat hij eerst de peuter liefdevol over zijn bol had geaaid.
Sjors had een belangstellende nieuwsgierige inborst. Hij interesseerde zich voor zijn reisgenoten op een prettige, uitnodigende manier en was meelevend daar waar nodig. Toonde een reisgenoot dezelfde interesse voor Sjors dan liet deze weinig los. Zo bleef hij een mysterieus fenomeen. Aan het einde van zijn reis liep hij geheel naar voren om, de bordjes met de tekst ‘verboden hier de tram te verlaten’ negerend, door de voordeur uit te stappen met als doel, de bestuurder een joviale groet mee te geven. Hij kende ieder personeelslid bij naam.
“Nou Chris, de mazzel maar weer en krijgt vandaag niet de zenuwe hè. Maakt er wat van hoor.”
Wat zou die gast hier nou op de Kempensingel moeten doen? zag je Chris denken. Want niemand wist hoe Sjors zijn dag doorbracht.
Zo schiep hij ongewild een beeld van geheimzinnigheid, dat wellicht bijdroeg aan zijn bijzondere status van plaatselijke wereldberoemdheid, evenals zijn uiterlijk trouwens. Op zijn hoofd droeg hij een witte gleufhoed met zwarte band, waaronder lang golvend donkerblond haar tevoorschijn piekte. Hierdoor leek zijn ingevallen hongergezicht nog magerder. Gelukkig straalden twee helderblauwe ogen zijn medemens tegemoet, waardoor de uitstekende jukbeenderen niet storend overkwamen.
Een ogenschijnlijk keurig colbert, dat een zwart T-shirt insloot, was onverwacht langs de mouwen afgezet met lange slierten, die elke beweging met gracieuze sierlijkheid begeleidden. Het meest in het oog lopende deel van zijn outfit vormde zijn pantalon met een opvallende tijgerprint. Hieronder staken twee blote voeten in een paar blauwe suède puntschoenen, die zo een evenwichtige basis voor zijn uitzonderlijke verschijning vormden.
Nog niet zo lang geleden, op een sombere grijze herfstdag, verliet Sjors opnieuw zijn woning. In tegenstelling tot andere dagen schuifelde hij onzeker vooruit, daarbij zonder kopstemserenades naar de grond wegkijkend, slechts onverstaanbaar voor zich uit mompelend. Ook dit keer werd hem van tijd tot tijd hartelijk “Ha Sjors!” toegeroepen, wat hij volkomen negeerde waardoor hij menig keer met verbaasde blik werd nagestaard. De vrolijke groeten leken hem niet te bereiken.
Lijn 4 gleed langzaam de straat binnen en opende haar deuren om Sjors te omarmen.
“Ha Sjors, wat zie jij er belabberd uit man,” begroette Chris hem.
Sjors reageerde lauw en schuifelde naar de voorlaatste bank om zich daar met zijn hoed over zijn gezicht in de hoek tegen het raam te nestelen. Sjors zuchtte eens diep en zakte blijkbaar weg in een diepe slaap. Vanuit zijn spiegel bekeek Chris met een zorgelijke blik dit ongewone tafereel. Sjors bleef ongevoelig voor de vele hartelijke begroetingen en de passagiers die de plaats naast hem verkozen lieten hem uiteindelijk met rust.
In de buurt van de Burgemeester van Kempensingel nam het aantal reizigers af. Het was al twee haltes geleden dat de plaats naast Sjors ingenomen werd door een medereiziger. In de scherpe bocht vanaf het De Montignyplein naar de Burgemeester van Kempensingel gebeurde het. Door de kracht van de bocht helde Sjors over in de richting van het middenpad, verloor zijn evenwicht en plofte op de trambodem, daarbij zijn karakteristieke hoed verliezend die, om hem als het ware de weg naar de uitgang te wijzen, in de richting van de trambestuurder rolde om ten slotte halverwege, na het maken van een laatste rondedansje, als baken in het looppad te functioneren.
Sjors lag met gespreide armen en wijd opengesperde mond op zijn rug en staarde met een lege blik naar het plafond. Enkele vrouwen gilden verschrikt bij deze aanblik, terwijl een wat oudere man overeind kwam om aan de noodrem te trekken. Nadat de tram binnen enkele tientallen meters tot stilstand was gekomen, rende Chris naar achteren en tikte Sjors een paar keer op de wangen, wat helaas geen resultaat opleverde.
“Hij is koud,” mompelde Chris onthutst. “Hij is ijskoud, zo dood als een pier. Wie weet hoe lang hij hem al gesmeerd is. En al die tijd zat hij in de tram.”
Geschokt door deze opmerking sloegen de reizigers verbluft hun handen voor de mond.
“Hij is dood, morsdood,” vervolgde Chris. “Het was een doodgoede kerel.”