Snippers zijn korte verhalen die maandelijks worden gepubliceerd

Even een uiltje knappen

Over onverwachte aandacht

Antoinette van Drimmelen keek terug op een bewogen maar voldaan leven. In deze fase van haar bestaan gingen haar gedachten nogal eens langs de richting gevende bakens in haar leven. De armoede in het kinderrijke gezin waarin zij opgroeide, de interne betrekking bij een rijke familie die zij op zeer jonge leeftijd moest aanvaarden om zo de kosten in het ouderlijk huis te drukken, de gruwelijkheden van de tweede wereldoorlog waarbij de hongerwinter diepe sporen naliet en onmenselijke eigenschappen aanriep in het Rotterdam van toen. Het leek wel of haar jeugdherinneringen zich met toenemende intensiteit en frequentie tijdens haar overdenkingen aanmeldden.
Aan de wederopbouw van Nederland deed zij dapper mee. ‘Niet lullen maar poetsen’ was de Rotterdamse geest die niet alleen tot uiting kwam in het groeiende stadsbeeld, maar zeker ook in de persoonlijke levens van haar bewoners. De ontmoeting met haar Cees op die bewuste zaterdagmiddag op het plein voor de indrukwekkende Sint Laurenskerk was daarvan een overtuigende exponent. Zij traden algauw in het huwelijk en betrokken een bovenwoning in de Nicolaas Zasstraat, een markante plek achter het centraal station, rijk aan spionnetjes, die het noodlottige bombardement aan het begin van de oorlog wonder boven wonder had overleefd. De gestaag toenemende welvaart culmineerde in de geboorte van hun twee dochters, twee plaatjes van meiden die de beide ouders met trots vervulden. Hoe diep duister grauwde de wereld toen in 1953 de jongste bij een tragisch ongeval om het leven kwam. De boottocht op de Nieuwe-Waterweg had het hoogtepunt van haar schoolreisje moeten zijn, dat wreed verstoord werd door één moment van onoplettendheid. Dagenlang speurden duikers het water af alvorens haar levenloze lichaam werd gevonden. Sindsdien ging er geen dag voorbij zonder dat haar beeld met de twinkelende blauwe ogen onder weelderig wapperende blonde haren zich aan Antoinette vertoonde.
Ondanks deze donkere rauwe rand deelden Cees en zij een lange en gelukkige levenstijd. Zes jaren geleden alweer ontviel Cees haar na een lang ziekbed, waarna de ouderdom een steeds verwarrender spoor in Antoinettes leven achterliet. Vijf jaren later verhuisde ze, op aandringen van haar dochter, naar een kamer in het verzorgingstehuis De Burcht.
Hoewel zij in eerste instantie tegen deze rigoureuze stap opzag was zij achteraf toch wel blij met haar keuze. De eenzaamheid voelde minder schrijnend door de permanente aanwezigheid van bewoners en personeel, die het gemis van Cees niet wegnamen, maar wel verzachtten. Bovendien kon zij gedeelde ervaringen met generatiegenoten uitwisselen, waaruit ze bij tijd en wijle een helende werking ondervond.
Antoinette worstelde zichtbaar met het toenemend falen van haar lichaam en geest, waarbij ze de medebewoners die in dit proces een voorsprong wisten op te bouwen, ronduit als confronterend ervoer. De door het tehuis frequent georganiseerde afleidingsmomenten greep zij dan ook dankbaar aan als vluchtmiddel uit de dagelijkse sleur, ook als het om activiteiten ging die zij van huis uit niet omarmde. Zo ook de meezingmiddag die onlangs in het restaurant beneden plaats vond.
Muziek bleek een wonderlijk fenomeen. Bij een toenemend gebrekkiger communicatievermogen opende muziek deuren die normaliter voor eeuwig gesloten leken. Dat ervoer Antoinette ook die middag. Zij zag mensen meezingen die ogenschijnlijk niet meer in staat waren tot het voeren van een gesprek op menselijk niveau en ook zelf beleefde zij een warme herkenning en enthousiasmerende sfeer die gevoelens en beelden in haar opriepen die zij voor altijd versleten waande. Een hartstochtelijk entertainende groep muzikanten bracht oude schlagers ten gehore, het publiek tot meezingen uitnodigend dat daaraan met toenemende uitgelatenheid gehoor gaf. Liederen als ‘Sarie Marijs’ kregen flink respons, waarbij het refrein telkenmale uit volle borst werd meegezongen, daarbij jeugdbeelden in herinnering roepend die zichtbaar hun weerslag op de aanwezigen hadden:

Oh, bring my t’rug na die ou Transvaal
Daar waar my Sarie woon
Daar onder in die mielies
By die groen doringboom
Daar woon my Sarie Marais

De middag vloog om en Antoinette begaf zich moe en voldaan naar haar kamer.
Ik denk dat ik even op bed ga liggen, dat kan nog net voor het eten, bedacht zij zich.
Bij het betreden van haar kamer viel de verandering Antoinette niet direct op, maar na enige ogenblikken keek ze wat verrast rond.
Wat is mijn kamer keurig opgeruimd, dacht ze. Het lijkt wel of ze spullen op een andere plek hebben gezet, eigenlijk wel leuk zo hoor.
Te vermoeid om hier verder aandacht aan te besteden schopte Antoinette voorzichtig haar schoenen onder het bed, ging op de rand zitten en vlijde zich op het sierdek neer, waarna een weldadige diepe slaap haar al snel overmande, opgeluisterd door beelden van haar zingende jongste dochter, zo reëel dat het leek alsof Antoinette haar liefkozend kon omarmen.
Normaal gesproken begaf zij zich tegen vijf uur naar het restaurant om de maaltijd te gebruiken. Het liefste liep zij al wat eerder naar beneden om ruim op tijd te zijn voor het uitzoeken van een plek aan een van de tafels. De eerste weken van haar verblijf in De Burcht leverde dit weleens ongemakkelijke situaties op. Een ongeschreven bejaardenwet namelijk gebood dagelijks de bewoners een vaste plek aan hetzelfde tafeltje op te zoeken, overzichtelijk voor iedereen en tevens een middel om anderen van de groep te kunnen uitsluiten, want blijkbaar had men zo zijn voorkeuren. Geheel onwetend zocht Antoinette juist naar een middel om in korte tijd zoveel mogelijk mensen te leren kennen en nam zich voor iedere dag aan een ander tafeltje plaats te nemen. Een aantal disgenoten waardeerde dit zeer, door het verse bloed dat zich zo in het tafelgroepje mengde. Het overgrote deel echter kwam niet verder dan de loopgravenstelling ‘dit hoort niet, dat doen we hier zo niet’.
Voor een neutrale toeschouwer leverde dit soms vermakelijk gênante conversaties op, waarbij Antoinette, overtuigd van het doel van haar missie, zich nooit uit het veld liet slaan. Eén ogenblik dreigde de situatie uit de hand te lopen door een medebewoner die blijkbaar het kind-stadium dusdanig benaderde, dat pesten en schelden als legitiem middel werd gezien. De pesterijen gingen zelfs zover dat Antoinette zich niet onbevangen door het tehuis kon begeven, omdat zij bij het passeren van de niet zelfgekozen vijand op een flinke duw of por kon rekenen, waarbij op het laatst zelfs haar handtas werd ontvreemd. Deze actie was voor de directie aanleiding om de betreffende vrouw een half jaar lang de toegang tot het restaurant te ontzeggen onder het dreigement van overplaatsing bij onveranderd gedrag. Dit gaf Antoinette een flinke opschaling in haar status, waardoor niemand haar aanwezigheid in een tafelgroepje ter discussie stelde of ook maar enige vorm van uitsluiting toepaste uit angst zelf door de directie te worden verbannen. Sterker nog, velen probeerden bij Antoinette in een goed daglicht te komen vanuit de veronderstelling zelf zo enige statusverhoging te kunnen verwerven.
Doordat Antoinette geen vaste eetplaats in het restaurant claimde, merkte niemand haar afwezigheid op. Toch wel opvallend, daar haar binnenkomst in de eetzaal doorgaans niet ongemerkt geschiedde. Zij koerste nooit rechtstreeks op een zitplaats af, maar slalomde tussen de tafeltjes door om hier en daar wat bewoners om uiteenlopende redenen aandacht te geven met een praatje, grapje of een schouderklopje. Aansluitend speurde zij aandachtig het restaurant af om vervolgens, na het maken van een weloverwogen keuze, aan een van de tafeltjes plaats te nemen, erop lettend nooit tweemaal achtereen dezelfde plek te selecteren.
Pas toen het personeel met het afruimen van het servies begon en enkele bewoners aanstalten maakten om hun appartement op te zoeken, maakten twee opmerkzame dames elkaar op Antoinette’s afwezigheid attent, waarbij hun conversatie nagenoeg verloren ging in het ontruimingsrumoer.
“Zeg Fien, heb jij Antoinette nou gezien?”
“Nu je het…, ik weet ook niet waar…, je weet ook nooit aan welke tafel ze…”
“Anders moeten we vanavond bij het koffiedrinken even opletten. Misschien had ze bezoek of zo.”
“Ja, je hebt gelijk, misschien had ze…, vanavond bij de koffie en anders zien we wel.”
Rond achten vulde het restaurant zich langzaam met koffiegebruikers, inclusief de twee opmerkzame dames, maar zonder Antoinette. Vanuit hun medeverantwoordelijkheid voelden de twee dames zich hier zichtbaar ongemakkelijk bij. Moesten ze nu…, zien maakt verantwoordelijk tenslotte.
“Zeg Fien, wat vind je, moesten we maar niet eens op haar kamer kijken? Of zou ze ons een stelletje bemoeiallen vinden?”
Na nog wat getreuzel begaven de twee zich naar de kamer van Antoinette op weg. Hoe enthousiast ze ook belden of op de deur klopten, deze bleef gesloten, waarna beiden voorzichtig de klink omlaag duwden en het appartement betraden.
“Antoinette, hallo An? Wij zijn het, Fien en Dora! We komen even…”
Fien stokte midden in haar zin, de kamer was volledig leeg, het bed onbeslapen, geen enkel teken van leven, ook niet in de bad- en slaapkamer.
“Hoe kan dat nou, wat moeten we nu? Hè ik vind dit maar…, zullen we dan toch…”
“Je hebt gelijk Fien, we moeten dit toch maar even melden. Er zal toch niets ernstigs zijn gebeurd? Dit is niets voor Antoinette.”
De ontdekking veroorzaakte een overweldigende beroering in het tehuis. Antoinette’s appartement werd nog eens grondig onderzocht. Aanwijzingen voor een eventueel vertrek werden niet gevonden, alles hing of stond nog precies op zijn plek.
Verontrust schakelde de leiding de politie in, die snel ter plaatse kwam. Op zoek naar een aanwijzing voor Antoinette’s verdwijning ondervroeg een agent alle bewoners. Ondertussen startten enkele van haar collega’s een buurtonderzoek dat niets opleverde. Ook werd het duikteam ingeschakeld om de nabijgelegen waterplas te onderzoeken. Grote schijnwerpers verlichtten de inmiddels in diepe duisternis gehulde waterplas om de duikers gelegenheid te geven de bodem te onderzoeken. Zelfs een politiehelikopter cirkelde met zijn verontrustende geronk boven de wijk. Tot diep in de nacht werd er gezocht zonder positief resultaat.
Antoinette’s inmiddels gewaarschuwde dochter maakte zich grote zorgen en werd in het restaurant liefdevol opgevangen door een personeelslid. Door alle commotie moesten veel bewoners die roerige nacht hun slaap ontberen. Tegen het krieken van de nieuwe dag werd de zoekactie tenslotte gestaakt, de politie stond voor een raadsel.

Antoinette ontwaakte langzaam uit haar bewusteloze slaap. Heel traag rijpte het besef dat haar te knappen uiltje ontaard was in een nacht volledig van de wereld zijn.
“Tsjonge wat heb ik lekker geslapen,” sprak zij halfluid tegen het plafond boven haar.
Behoedzaam kwam ze overeind en bij het zien van haar kleding grinnikte ze ondeugend als een jonge tiener die stiekem iets had uitgehaald. Opnieuw viel haar het keurig opgeruimde appartement op en na een grondiger inspectie nam zij allerlei voorwerpen waar die ze nog nooit in haar kamer had gezien. Langzaam sloeg de twijfel toe en drong een rumoerige drukte vanaf de gang tot haar door. Antoinette knipte het licht aan en keek op haar horloge. Tien over vijf informeerde de klassiek ogende wijzerplaat.
Wat doen al die mensen zo vroeg op de gang, vroeg ze zich met een groeiende ongerustheid af. Nieuwsgierig begaf zij zich naar de deur om die behoedzaam te openen. Voorzichtig betrad zij de gang en botste tegen een juist passerend personeelslid aan dat een ijzingwekkende gil slaakte, waardoor alle aanwezigen zich met een ruk omdraaiden en vol verbazing in de richting van Antoinette staarden.
“Iehhhh! Mevrouw van Drimmelen, wat doet u in de logeerkamer?” luidde de verschrikte vraag.
Antoinette keek vergenoegd de gang in, zich verbazend over zoveel belangstelling, rekte zich voldaan uit en antwoordde opgewekt:
“Hè hè, wat heb ik lekker geslapen zeg!”