Snippers zijn columns of korte verhalen die maandelijks worden gepubliceerd

Flarden

Over schuldgevoel

Er bestaat een wonderlijk spel: flarden plakken. Nou weet ik niet of het een officieel vermaak is, feit is wel dat ik het af en toe speel, dus dan zou je kunnen concluderen dat het spel bestaat, ook al is het nergens te koop en heb ik het zelf bedacht.
Het gaat als volgt: ga een stuk wandelen of fietsen en zoek bij voorkeur plaatsen op waar de kans aanzienlijk is dat je mensen ontmoet. Je kunt erop wachten dat je gedurende enkele seconden ongevraagd wordt meegenomen in een luidruchtig emotioneel telefoongesprek. Of je vangt een flard op van een intiem tweegesprek dat jou passeert als een snel rijdende auto, bij nadering hoog en scherp van toon en na passage in volume en toonhoogte afnemend. Probeer zo’n gespreksmoment vast te houden tot de volgende ontmoeting en plak het nieuwe geluidsfragment eraan vast, om zo een verrassend, vaak absurd hoorspel te beluisteren.
Om de tijd te doden bezigde ik dit kostelijke vermaak met regelmaat tijdens mijn dagelijkse fietstocht naar mijn werk. Onderweg ontmoette ik vooral groepen lawaaierige scholieren die geen enkele poging ondernamen om hun conversaties voor toevallige toehoorders, zoals ik, te censureren of in decibellen te minimaliseren. Ook kon het zomaar gebeuren dat ik willekeurig een paar woorden toegeschreeuwd kreeg, zonder te kunnen achterhalen welke rol hierbij van mij werd verwacht om de simpele reden, dat de afstand tussen de andere partij en mij binnen luttele ogenblikken te veel in omvang toenam om hier zinnig actie op te kunnen ondernemen.

“Die Boelhouwer werd kwaad joh. ‘Je bent zo lui als een varken,’ schreeuwde hij. ‘Ik ben helemaal niet lui,’ zei ik. ‘Ik ben gewoon heel erg gemotiveerd aan het niks doen.’ Nou toen (…)”
“Wat heb je met die gast? Dat is toch een creep! Iehhh!”
“Valt best mee hoor. Ik zei nog, ik heb het nog nooit gedaan (…)”
“Ik doe sowieso niets. En weet je wat ik had? Een tien!”
“Echt? Je meent het?!”
“Ja en ik heb er dus helemaal niets voor gedaan (…)”
“Hé ouwe!” (Dat ben ik dan …).
“Uuuuurrrghh” (Dat is een keiharde boer).
Ik geef toe, over het niveau kunnen we van mening verschillen.

Hoeveel flarden dienen zich dagelijks aan?
Mijn gedachten vormen daarvan wel de exponent bij uitstek. Lopend door het park, in de supermarkt schuifelend met een boodschappenmandje, met nog maar honderd kilometer per uur rijdend op een snelweg, tijdens een bovengemiddelde gesprekspauze, ineens zijn ze daar als zandkorreltjes in de wind die jouw oog prefereren als ultieme plek om uit te rusten.
“Heeft u letsel aan uw oog, wrijf dan met uw elleboog,” placht mijn opa vroeger als raad te geven. Inderdaad, laat ze maar, ga niet met ze in gesprek. Flarden zijn eigenwijs en uitermate moeilijk beïnvloedbaar. Ze spreken mijn geweten aan en ik leer het meeste door ze hun gang te laten gaan, ze ongemoeid te laten en aandachtig naar ze te luisteren.
Soms slaat een flard gewoon nergens op. Hoe kom ik er op? vraag ik me dan stomverbaasd af. Dan ben ik gniffelend onder humoristische vrienden.

Ook de media behoren tot de habitat van de flarden. Meestal schieten ze schichtig voorbij zonder verder aandacht op te eisen. Een enkele keer echter blijft een hardnekkig exemplaar steken, als een statisch stuk plastic dat weigert zich te laten weggooien. Een voorbeeld ontmoette ik onlangs op een platform waarop opvallende berichten worden uitgelicht, in dit geval uit WhatsApp:

  • Wil je mijn favoriete quote horen? (Blauwe vinkjes)
  • Ja hoor. (Blauwe vinkjes)
  • Je kan van iemand houden en als je van iemand houdt, vergeet je diegene nooit (Smiley met brede tanden en blauwe vinkjes)
  • Mijn ouders zijn me een keer vergeten in de ballenbak bij de Ikea … (Blauwe vinkjes)

De flard heeft even tijd nodig om naast me te komen zitten, maar eenmaal aan tafel moet ik onbedaarlijk grinniken. Direct melden zich collega flarden en voor ik er erg in heb bevind ik me in aangenaam gezelschap. Ik zie beelden van een jong gezin dat de zaterdag heeft uitverkoren als even-een-momentje-voor-onszelf, lekker schuifelend in een trage brede rij door een overvolle Ikea, zich verlekkerend aan dat-zou-ik-wel-willen-hebben-maar-ik-heb-het-niet-echt-nodig, in de veilige wetenschap dat kindlief zich prima vermaakt bij de kinderopvang beneden. Die ligt nu waarschijnlijk te rollebollen in het ballenbad en is haar ouders allang vergeten. Aansluitend in het overvolle restaurant ervaart het jonge paar niet bepaald een zen momentje, maar toch: even opgaan in elkaar, zonder kind, ondanks het oorlogslawaai om hen heen. Alsof ze verliefd worden opnieuw uitvinden. Had hij altijd al van die mooie blauwe ogen?
“Ik weet in de stad nog een leuk tentje, kunnen we even verder chillen,” stelt hij voor.
Een moment met een gouden rand, zij het een tijdelijke. Op de terugweg gaat de telefoon. Een verontruste Ikea-medewerker vraagt zich oprecht bezorgd af of de ouders van Myrthe nog van plan zijn hun watervallen huilende dochtertje, dat de extatische ballenbadervaring al geruime tijd is ontstegen, op te halen. Zie hier de geboorte van een schuldgevoel.

Een verwante flard dient zich aan. Ik zie mezelf als jonge leerkracht lesgeven aan een groep acht. Mijn verjaardag als het hoogtepunt van het jaar naderde met rasse schreden:
“Meester, we hebben je vrouw gebeld, die is overal van op de hoogte. Je hoeft alleen maar je zwemkleding mee te nemen.”
Ze hadden alles geregeld, de schatjes. Zelfs het vervoer en bij wie ze in de auto zaten. Na een middag tropisch zwemmen schalde onze schoolnaam door de speakers ten teken dat aan alle vermaak een einde kwam. In de hal verzamelen en iedereen kroop weer in een auto.
Normaal gesproken liep ik tijdens dit soort vermakelijkheden de gehele dag koppen te tellen, maar door de aanstekelijke organisatiedrift van de overenthousiaste leerlingen voelde ik mij, geheel onnodig, van deze verantwoordelijkheid ontslagen. Niet zo handig. Hier kwam ik achter toen ik bij aanvang van de door mijn vrouw met liefde klaargemaakte verjaardagsmaaltijd een eerste hap van mijn medium biefstuk wilde nemen. Aan de telefoon meldde zich een relaxt grinnikende moeder:
“Mist u niet iets?”
Martijn, het droomhoofd van de klas, vond het toch wel erg stil worden in het bubbelbad. Na de constatering geen klasgenoot meer te ontdekken, begaf hij zich toch maar naar de balie, waar een medewerkster aangaf dat de klas al geruime tijd geleden was vertrokken. Martijn raakte niet in paniek en belde naar huis vanuit de geruststellende overtuiging dat zijn moeder vast wel als taxichauffeur wilde fungeren.
“Oh, wat vind ik dit erg, mevrouw,” antwoordde ik schuldbewust.
Begripvol meldde de moeder van Martijn het geen enkel punt te vinden en wenste me nog een gezellige verjaardagsavond toe. In die tijd bestonden zulke ouders nog, wat niet wegnam dat ook bij mij een aanhoudend schuldgevoel weigerde het ruimhartig toebedeelde begrip te accepteren.

De flarden staan ondertussen ongeduldig in een rij te wachten. Ik kies er nog één uit.
Ik denk dat ik een jaar of vier was. Mijn ouders schaften een Solex aan, zo’n fiets met voorop een klein trillend motortje, dat het voorwiel tot een snelheid van een kilometer of vijfendertig kon aanmanen. De avond was al in een ver gevorderd stadium, toen ik door mijn nerveus opgewonden vader werd gewekt met de mededeling dat er buiten in de tuin een verrassing stond. In mijn pyjama met daarover een in de gauwigheid aangeschoten jas, nam ik plaats achter de rug van mijn moeder, op een blok skai met daar achter een metalen ruggensteun. Mijn voeten vonden houvast op twee opklapbare voetenstepjes. Over veiligheid werd toen anders gedacht. Mijn broer nam plaats achterop de Solex van mijn vader. Trots als een pauw reden we rondjes door de wijk. Mijn opgewondenheid werd niet zozeer veroorzaakt door de Solexrit, maar door de ontdekking dat alle huizen er nog gewoon stonden. Ik realiseer me dat ik dit nader moet toelichten. In die tijd was ik er namelijk heilig van overtuigd dat de duisternis van de avond haar oorzaak vond in het gegeven, dat alle huizen in de nachtelijke uren onder de grond zakten, om onverklaarbare redenen overigens. De constatering dat het tegendeel waar bleek te zijn resulteerde in een euforische ervaring, die vergelijkbaar was met de ontdekking van Amerika door Columbus.
Die Solex wakkerde onze reislust aan. Na enkele dagen al besloten mijn ouders om een rit naar Rotterdam, waar mijn grootouders woonden, te maken. Een reis van pak hem beet tachtig kilometers. Vroeg uit de veren, warm aangekleed, de beide Solexen aangetrapt, de dag kon niet meer stuk. Lang stilzitten achterop een hobbelend vehikel met de armen krampachtig om mijn moeders middel geslagen, bleek minder spannend dan ik had gehoopt. De enige spanning was al gauw voelbaar in mijn blaas, waardoor we genoopt waren te stoppen bij één van de openbare toiletten die toen der tijd ruimschoots in Nederland voorhanden waren. Het door ons uitgekozen sanitair stond bovenop een soort heuvel, die via een lange stenen trap moest worden bestegen, alsof ik het bordes van paleis Soestdijk betrad tijdens een defilé op koninginnedag. Weer geheel ontspannen daalden we voorwaarts (in tegenstelling tot het aangehaalde defilé) de trap af en bestegen gezellig keuvelend onze ijzeren rossen. Vooral mijn vader zat op zijn (rijdende) praatstoel, want hij wees mijn broer op talloze bezienswaardigheden, wat ik overigens vreemd vond daar mijn broer nergens te bekennen viel.
“Zeg pap, tegen wie praat je eigenlijk?”
“Hoe bedoel je? Ik begrijp je vraag niet?”
“Nou, je zit van alles tegen Rob te vertellen, maar …”
Verder kwam ik niet daar ook mijn moeder ondertussen het gemis van mijn broer ontdekte en een ijselijke kreet produceerde, die mijn vader verkrampt aan het remmen zette. Na het stadium van stilstand te hebben bereikt ontstond er een geïrriteerd tweegesprek tussen mijn ouders, waarvan ik de letterlijke bewoording ben vergeten doch de essentie heb onthouden:
“Jij zegt ook helemaal niets!”
Er werd besloten rechtsomkeert te maken. Na enige minuten doemde mijn broer vaag op in de verte, doodgemoederd de bewegwijzering richting Rotterdam volgend. Zijn verklaring voor het feit dat hij mijn ouders niet nariep bij het vertrek, zei iets over onze gezinscultuur waar elkaar dissen en er-tussen-nemen tot de dagelijkse praktijk behoorden.
“Tja, ik dacht: mij pakken jullie niet, hier trap ik niet in. Maar toen het wel erg lang duurde ben ik de borden ‘Rotterdam’ gaan volgen. Ik dacht dan kom ik er vanzelf.”
We keken elkaar aan en konden er uiteindelijk wel om lachen.

Tja Martijn, de appel valt niet ver van de boom.