Snippers zijn columns of korte verhalen die maandelijks worden gepubliceerd

 

Het meisje Corona

Een sprookje over vleermuizenwraak

Heel ver hier vandaan, in het immens grote land China, woonde een klein lieftallig meisje dat Corona heette. Ze leefde samen met haar ouders dicht bij de grote stad Wuhan. Aan het einde van de dag als de zon besloot dat het bedtijd werd en traag zijn oranje-rode pyjama aantrok, zette Corona zich vaak op het smalle houten bankje voor haar kleine boerenwoning om te genieten van het kleurrijke slaapritueel. De schemering, een heel goede vriend van de zon, wenste hem algauw welterusten door alles met een duistere kleur te beroeren, waardoor de wereld rustig en slaperig werd in een betoverende gloed. Behalve de vleermuizen, die trokken zich niets aan van de schemering omdat zij een vriend hadden die nog invloedrijker was: de nacht. Zodra de schemering de zon kwam toedekken, schoten zij van alle kanten tevoorschijn als bliksemschichten op een negatief. Hun grillige vliegpatronen tekenden zich donker flitsend af tegen de oranje-rode horizon.
Steeds weer raakte Corona geïmponeerd door dit kleurrijke spel en vroeg zich af waar die magische fladderaars overdag verbleven.
Misschien bewonen zij een sprookjeskasteel of leven overdag onder de grond omdat zij niet van het daglicht houden! fantaseerde Corona.
Net zo plotseling als zij tevoorschijn schoten verdwenen de vleermuizen weer, alsof zij niet tot deze wereld behoorden.
Op een avond zette haar vader Shoahan zich naast haar op het bankje om mee te genieten in de magische sfeer van de naderende nacht.
“Papa, houd jij van vleermuizen?” vroeg zij na een lange pauze waarin de natuur steeds zachter fluisterde, alsof zij de adem inhield in afwachting van de eerste fladderaar.
“Waarom vraag je dat, Corona?”
“Nou, ik vind ze zo geheimzinnig. De geit in de schuur houdt van de dag en vindt het fijn als ik haar aandacht geef. Ze schuurt zich blij tegen me aan, vooral als ik brokjes eten in mijn hand houd. Van haar melk maak ik heerlijke geitenkaas. De ezel verheugt zich ook op de morgen. Als ik buiten kom roept hij al balkend mijn naam en vindt het fijn om spullen voor me te sjouwen. Ook de koe ziet me graag overdag. Dankbaar schenkt ze me een dampende emmer melk, waarmee ik de bekers tijdens de broodmaaltijd kan vullen. Alle drie helpen ze ons mee om te overleven en wij zorgen goed voor hen.
Maar van de vleermuizen krijg ik geen hoogte. Als iedereen gaat slapen komen zij tevoorschijn en om ze te zien moet je heel stil zitten, anders schrikken ze en vliegen ze weg. Zij houden niet van de dag, maar juist van de nacht en hoe helpen zij ons om te overleven? Ik weet niet eens waar ze wonen. Ze lijken wel betoverd; ineens verschijnen en verdwijnen ze.”
Vader Shoahan keek zijn dochter bedachtzaam van opzij aan. Steeds weer verbaasde hij zich over haar vragen die hem aanspoorden tot nadenken, waardoor niets vanzelfsprekend leek.
“Ik weet waar zij wonen, de vleermuizen,” mompelde hij na een tijdje voor zich uit.
“Wat zeg je nou?”
“Ik weet waar de vleermuizen overdag verblijven,” antwoordde Shoahan iets nadrukkelijker.
“Echt? Echt waar pap? Waar dan? Toe zeg het mij?”
“Dat laat zich moeilijk uitleggen, maar ik wil het je wel laten zien. Tenminste, als je ver wil lopen en heel goed kunt klimmen.”
“Natuurlijk, natuurlijk kan ik dat. Oh papa, dat lijkt me geweldig. Morgen? Gaan we morgen kijken?”
Dat leek Shoahan een goed idee en Corona kon niet wachten tot het zover was.
De volgende ochtend gingen ze al vroeg op pad, natuurlijk nadat eerst de koe en de geit waren gemolken. Ze volgden een pad dat de bergen inliep en algauw moeilijk begaanbaar bleek door de vele gladde stenen waarop hun schoeisel moeilijk grip had. Hoe meer ze stegen hoe smaller het pad werd. Naast hen gaapte een diep ravijn dat boosaardig prachtig glimlachte. Uitglijden was geen aantrekkelijk vooruitzicht. Gelukkig kende haar vader de gevaren van de bergen en had zijn dochter met een stevig touw om zijn middel gezekerd. Van tijd tot tijd hielden beiden halt om uitgebreid om zich heen te kijken. Op die momenten hield het ravijn zich in en glimlachte een stuk vriendelijker naar hen. Corona genoot van het overweldigende vergezicht.
Na een vermoeiend uur klauteren verscheen er plotseling om een hoek van de berg een reusachtige grijs grauwe rotspartij.
“Daar moeten we heen,” wees Shoahan met zijn wijsvinger.
Een inspannend kwartier later bereikten vader en dochter een donkere spelonk die toegang verschafte tot het innerlijk van de berg.
“Wonen hier de vleermuizen papa?”
“Sst,” klonk het dwingende antwoord.
“Overdag slapen de vleermuizen, zij vinden het niet fijn om gestoord te worden. Zachtjes doen!”
De ingang van de grot ging verscholen achter een groene sliertige dradenmassa.
“Het lijkt ons vliegengordijn wel,” fluisterde Corona. “Of nee, een vleermuizengordijn.”
Shoahan glimlachte, terwijl hij zijn dochter wenkte om verder te lopen. Voorzichtig werkten zij zich door de groene plantenvitrage heen. Hun ogen moesten wennen aan de vreemde duisternis van de grot. Shoahan wees naar het hoge plafond dat vol hing met donkere pakketjes die af en toe schokkerig bewogen. Toen Corona’s ogen gewend raakten aan de mystieke schemering herkende zij de vleermuizen die sliepen met hun hoofd naar beneden. Zij slaakte een niet te onderdrukken gilletje van opwinding, dat in het holle gewelf de uitwerking had van een schreeuwende klas kinderen. Verschrikt tuimelden tientallen bosjes vleermuis naar beneden om met een plof op de rotsachtige bodem te belanden. Een aantal kroop overeind en probeerde weg te fladderen, wat voor een vleermuis een bijna onmogelijke opgave bleek. De meesten bleven roerloos liggen om naar verwachting nooit meer op te krabbelen. De massa aan het plafond kwam bruusk in beweging en als een friemelende kluwen dwarrelde zij oneindige stromend in de richting van de uitgang. De grot bleek dieper dan diep en de aanzwellende massa verdreef onder een hoog snerpend gepiep het weinige daglicht. Corona en haar vader krompen verschrikt ineen om zo de laag overscherende lichamen te ontwijken.
“Hier krijg je spijt van,” leek de fladdermassa te tjilpen, maar dat was natuurlijk verbeelding.
Uren leek dit intimiderende vertrek te duren, uren die slechts minuten bleken. Eindelijk keerde het schemerachtige daglicht weer. Shoahan en zijn dochter glibberden zo snel mogelijk naar buiten en eenmaal in het volle licht schrok Corona van de desolate aanblik van haar vader.
“Pap, wat zie je er uit! Je zit helemaal onder de drek.”
En inderdaad. Shoahan bleek geheel overdekt met een onaangenaam riekende laag uitwerpselen.
“Heb je jezelf al gezien?” antwoordde Shoahan.
Ook Corona werd niet gespaard door het woedende vleermuizenvolk.
“Dat ziet er niet best uit,” mompelde Shoahan.
“We kunnen ons thuis toch wassen?”
“Dat bedoel ik niet. De vleermuizen zijn boos, laaiend. Dat weet ik omdat zij de grot hebben verlaten. Dat doen zij overdag nooit.”
Zwijgend aanvaardden zij de terugtocht, die verrassend sneller verliep dan verwacht. Thuisgekomen probeerden beiden de drek van hun lijven te wassen. Maar wat ze ook probeerden, de doordringend riekende herinnering liet zich niet verwijderen.
Die avond vergat de zon zijn oranje-rode pyjama aan te trekken, wat Corona met een onbestemd gevoel naar bed deed gaan.
De volgende ochtend vroeg al bereikten de eerste veronrustende berichten hun anders zo rustige boerderij. Een aantal inwoners van Wuhan, de drukke stad even verderop, was onthutst hun woonplaats ontvlucht.
“Het was verschrikkelijk,” vertelden zij. “Midden overdag verliet het daglicht ons zoals bij een zonsverduistering en wie niet snel genoeg zijn huis binnenging werd bedolven onder een smerig stinkende laag drek.”
De stadsbewoners vertelden dat alle getroffenen een paar uur later stierven.
“En waar zijn allen die niet werden getroffen?” vroeg Shoahan met trillende stem.
“Die zijn de stad ontvlucht, maar oh wee, ieder die door hen wordt aangeraakt sterft een uur later. Het is verschrikkelijk.”
Jammerend zakte Shoahan op zijn knieën. Hij besefte dat de vleermuizen een zoete wraak namen die de mensheid lang zou heugen. Corona en haar vader kregen het eeuwige leven als straf, terwijl ze de dikke laag drek als bewijs van de vleermuizenwraak moesten meedragen.
Maandenlang zwierf de wraak der gevleugelde nachtdieren over de aarde, steeds verder en verder tot het de verste uithoeken bereikte. De mensen raakten meer en meer in paniek, zou dit dan nooit ophouden? Landen werden afgesloten, steden waren niet meer toegankelijk en de huizen gingen op slot in de hoop dat de wraak niemand kon bereiken.

In een land ver van China, in een stadje waarvan bijna niemand de naam kende, stond een wonderbaarlijk gebouw, niet zozeer door haar uiterlijk, maar door de mensen die er leefden. Zij kwamen zelden buiten, waardoor de vleermuizen hen niet kenden. Bij het vallen van de nacht ontstaken zij felle lichten. Vleermuizen houden niet van licht, dus die bleven daar weg. Alle bewoners droegen witte jassen, daaraan herkenden zij elkaar. Zij werkten het liefst met vreemde geheimzinnige apparaten, waarvan maar weinigen de werking kenden. Dag en nacht zochten zij heimelijk naar een toverdrank om de vleermuizenwraak op te heffen, zij wensten niets liever. Al die mensen, vaders en moeders, opa’s en oma’s en zelfs kinderen werden ziek en stierven. Die ellende moest en zou stoppen.
Eindelijk, na maanden experimenteren, lukte het om een toverdrank te maken. Die werd in kleine spuiten gestopt waarmee de gezonde en zieke mensen werden geïnjecteerd. Het deed wel een beetje pijn, maar dat had ieder er graag voor over.
De vleermuizen baalden of nee, eigenlijk vonden ze het wel genoeg zo. Ze trokken zich terug in de spelonk achter het groene gordijn in het besef dat de mensen nu wel genoeg waren gewaarschuwd. En ’s avonds als de zon zijn oranje-rode pyjama aantrok, kwamen ze gewoon weer tevoorschijn alsof er niets was gebeurd.
Ook Corana en haar vader Shoahan kregen van de toverdrank, waardoor zij het eeuwige leven verloren en zich eindelijk konden reinigen.
En zo leefde ieder uiteindelijk gezond en gelukkig.