Snippers zijn columns of korte verhalen die maandelijks worden gepubliceerd

Flatulare

Over 500 euro vrije meningsuiting

Jochem is kunstenaar, flatulare-artiest. Althans, hiertoe heeft hij zichzelf verheven, want een officiële status wist hij nooit te verwerven. Zijn voorliefde voor deze kunstvorm voert terug naar zijn kinderjaren, waarin de permanente aanwezigheid van zijn markante grootvader een nadrukkelijke rol in zijn ontwikkelingsproces speelde.
Tot Jochems zeventiende levensjaar woonde opa Geert bij zijn ouders in. Een groot deel van de dag verbleef hij gezeten op een imposante fauteuil naast een even indrukwekkende schoorsteenmantel centraal in de ruime woonkamer. Zijn, in de ogen van Jochem, historische persoonlijkheid was doorgaans letterlijk in nevelen gehuld, veroorzaakt door een eeuwig rokende kromme pijp in de hoek van zijn bruine glimmende speekselmond tussen oude kaken geklemd. Overal liet de nicotine haar sporen na: op het gezicht, in zijn mondhoeken, tussen de vingers van zijn handen en zelfs op het plafond, waar als een soort territoriummarkering een enorme gele vlek zich van een blijvende status verzekerde. Eén keer per jaar ondernam Jochems vader een poging deze territoriumdrang te vernietigen, door met het duurste merk latex het plafond te bewerken, zelfs twee lagen dik. Slechts drie dagen hield deze claim op de vierkante meter naast de schoorsteenmantel stand. Steevast op de vierde dag ving het plafond haar vervuilend verzet weer aan, met na een week de glorieus teruggekeerde bruingele nicotinevlek als resultaat. Eigenlijk heeft Jochem nooit goed begrepen waarom zijn vader ieder jaar opnieuw de geldverslindende strijd met de onsmakelijke groezelige territoriumvlek aanging.
Sinds zijn pensionering hield opa Geert er een vast dagritme op na, waarmee hij ongewild een gewisse factor in Jochems leven creëerde. Met gemopper en gevloek ving de dag al vroeg aan, voor Jochem het teken dat opa zijn bed met een poging tot aankleden had verlaten, wat als gevolg van zijn hoge leeftijd niet geheel probleemloos verliep en standaard werd omlijst met krachttermen die geen enkele ouder in de omgeving van zijn kind zou prefereren of tolereren, maar die bij Jochem de indruk wekten tot de gangbare woordenschat te behoren in geval van ondervonden tegenslag. In een vergelijkbare grimmige sfeer verliep de hierop volgende scheerpoging. Nadat de onrust op de slaapetage enigszins stabiliseerde volgden alras vertwijfeld zoekende voetstappen op de trap naar beneden, waarna opa Geert zich met een ‘Morgen allemaal’ aan de ontbijttafel meldde in de veronderstelling de enige getuige te zijn geweest van zijn eeuwige strijd om het leven weer op te starten.
Na het ontbijt verliet opa, steunend op zijn wandelstok en het gehele trottoir gebruikend als bewijs van zijn aflatend functionerende evenwichtsorgaan, het huis om een kop koffie bij één van zijn vaste adressen te nuttigen, om rond twaalf uur weer terug te keren voor het gebruiken van de lunch, standaard bestaande uit twee boterhammen bedekt met een gelijk aantal plakken ontbijtkoek met daarop een ruime hoeveelheid rauw-ui-ringen gedrapeerd.
“Goed voor de keel, ik heb nooit last van keelpijn,” luidde het terugkerende argument.
Uiteindelijk bleek deze lunchgewoonte de grondslag voor Jochems latere flatulare-carrière.
Na een ‘Dat smaakte’ werd schuifelend het territorium naast de schoorsteenmantel opgezocht om het volgende uur in een zuchtend en snurkend sluimerende toestand te verkeren als opkikker voor de resterende middag en avond. Gedurende het overige dagdeel verliet opa de fauteuil niet meer. Uitzondering hierop vormden het avondmaal en de stoelgang. Ondanks het veelvuldig gebruik van rauwe uien lukte het opa Geert niet vaak om spontaan zijn hoop te laten varen. Ter stimulering van zijn stoelgang had hij een soort training ontwikkeld, die op Jochem de indruk van een lange-baan-schaatswedstrijd maakte. In de ruime gang van het oude woonhuis liep opa Geert met de handen op de rug in een wandelpas heen en weer die, mede vormgegeven door zijn slecht functionerende evenwichtsorgaan, in een zwierende tred resulteerde en zonder moeite de vergelijking met de schaatssport opriep. Kwam de finish uiteindelijk in zicht dan werd de toiletdeur opengerukt, waarna er een ontlading plaatsvond die herinneringen aan het achterliggende oudejaarsvuurwerk opriep.
Hierna bleef er nog geruime tijd over om de krant lezend en televisiekijkend in de leunstoel door te brengen. Met regelmatige tussenpozen verplaatste opa Geert daarbij het evenwicht naar zijn linker bil, waardoor er een natuurlijke ruimte werd geschapen voor het flatuleren van darmgassen, ingegeven door het veelvuldig gebruik van de eerdergenoemde ui-ringen en steevast gevolgd door de opmerking ‘D’r uit honderd gulden’. Een toevoeging waarmee Jochem van jongs af aan vertrouwd raakte, maar met het vorderen der jaren een groeiende nieuwsgierigheid naar haar achtergrond deed ontwikkelen.
Op zestienjarige leeftijd dwong Jochems uitgegroeide interesse hem om de voor de hand liggende vraag te stellen:
“Opa, waarom zeg jij toch steeds ‘D’r uit honderd gulden’ als je een scheet laat?”
Verrast liet opa Geert zijn krant zakken, verbaasd over zoveel belangstelling voor een alledaagse gewoonte. Grinnikend nam hij de leesbril van zijn neus en vervolgde:
“Een kwestie van geld jongen. Ik verdien geld met het laten van winden.”
Nieuwsgierig geprikkeld door dit antwoord leidde Jochems vraag hem wellicht naar een onverwachte mogelijkheid tot een aanvulling op zijn niet al te riante hoeveelheid zakgeld. Jochem was voorbereid op een niet alledaagse respons, maar dat scheten laten geld kon opleveren was nieuw voor hem.
“Geld verdienen, echt geld? Hoe doe je dat dan opa?”
“Nou jongen, het gaat niet om geld dat je kunt vasthouden. Het heeft te maken met een bericht dat ik ooit in de krant heb gelezen. Er was eens een boer die last had van winderigheid. Niet dat hij dat vervelend vond, want de dieren waar hij mee omging deden niet anders. Maar tijdens ontmoetingen met andere mensen wilde hij graag een nette indruk maken, waarbij hij niet wenste dat mensen achteraf dachten: wat een lompe boer is die man zeg. Op een dag, tijdens een bezoek aan familie, had hij fikse last van winderigheid. Vanuit zijn hiervoor genoemde motivatie bewaarde hij de winden voor de terugweg. Even later begaf hij zich op weg naar huis met het gevoel alsof zijn darmstelsel zich tot een levensgrote luchtballon transformeerde. In deze ongemakkelijke conditie had hij, om thuis te komen, een wandeltocht van ruim een half uur voor de boeg en al die tijd lukte het hem niet om ook maar één wind te laten. De daaropvolgende nacht verging de boer van de pijn en uiteindelijk bracht hij de volgende dag een bezoek aan de dokter, die hem met een lichte ingreep van zijn winderigheid verloste.
‘Nou meneer, dat is dan honderd gulden,’ sprak de dokter tegen de opgeluchte boer. En weet je Jochem, ik vind het zo zonde van dat geld. Vanaf het moment dat ik dit bericht heb gelezen, nam ik me voor om nooit meer een wind op te houden. Winden laten is een prachtig biologisch proces, dat moet je niet tegenwerken. En daarom denk ik iedere keer als ik een wind laat: d’r uit honderd gulden. Dat heb ik toch maar weer mooi verdiend.”
Geïnspireerd door de onderliggende humor vond Jochem het een fantastisch verhaal en vanaf dat moment nam hij zich voor om de biologische levensfilosofie van zijn opa over te nemen.
Dat ging niet zonder slag of stoot. Thuis leverde het flatuleren dankzij het voorwerk van opa Geert weinig problemen op. Maar op school of zelfs onder vrienden werden zijn laagfrequente geluiden niet gewaardeerd en zeker niet de bijbehorende geuren, waarbij gezegd moet worden dat de heftigheid van reactie verschilde per inhoud van de vooraf genoten maaltijden, waarbij sommig voedsel agressief riekende darmgassen produceerde die evenzo agressief klinkende reacties opriepen.
Uit iets negatiefs ontstaat menigmaal iets heel moois, zo ook uit de afkeurende reacties waarmee Jochem geconfronteerd werd. Langzaamaan realiseerde hij zich dat zijn winderigheid tot een bewonderenswaardige eigenschap moest worden omgevormd,
een vermogen om een kunstzinnige boodschap mee uit te dragen, waarbij de soms onaangename geuren op de koop toe werden genomen. Hiertoe begon hij eerst met geluidsvormen en later met performance te experimenteren. Op creatieve wijze ontwikkelde Jochem technieken waarmee hij een saaie wind in een zachte uitgerekt piepende toon of een krachtige, door korte stiltes onderbroken, stevige bas-solo kon omzetten. Na enige weken oefenen beschikte hij over meer dan vijftig variaties, die hij bovendien in een adembenemende show van snelle poses en omlijstende gezichtsuitdrukkingen kon verpakken. Om het geheel tot een ultieme verfijning te creëren gebruikte hij poeders in allerlei kleuren die hij met een sublieme timing in de uitstromende gassen strooide, waardoor een prachtig visueel schouwspel ontstond. En alsof dit nog niet imposant genoeg was verpakte hij het spektakel in een morele boodschap die de toeschouwer vertelde over het belang van zelfbeschikking.
“Wij mogen toch zeker zelf bepalen wat goed of fout is. Leg af dat opgedrongen harnas van fatsoen! Ikzelf bepaal mijn moreel handelen en hang daar mijn eigen bordje met ‘fatsoenlijk’ aan. Zijn wij vrijgevochten geesten? Ja? Laat dan onze gemeenschappelijke factor zijn dat wij ons bevrijd weten van fatsoenlijke belemmeringen. Dat is òns fatsoen!”
Deze boodschap sloeg aan bij een groeiend publiek dat zich rondom Jochem in het stadspark verzamelde. In het centrum van die stadstuin bevond zich een groot prieel waar Jochem zich regelmatig met een aanzienlijke groep jongeren ophield om zijn boodschap in vreedzaamheid uit te dragen en zijn flatulare-artiestendom in de praktijk verder te ontwikkelen. 

Zo ook op die zomerse avond in augustus, zo’n avond waarop de tijd leek stil te staan, omdat de zomer beloofde nooit meer te vertrekken; zo’n avond waarop het nooit twaalf uur ging worden, doordat de gemoedelijke gezelligheid het wisselen van etmaal voor zich uit bleef schuiven in een ambiance waarbij iedereen zich verwant voelde, familie leek, aangemoedigd door de meegebrachte blikjes bier en een verdwaalde joint. Het begeleidend enthousiasme, zich uitend in meer decibellen dan een gemiddeld gesprek, kon onmogelijk een reden zijn om de ervaren gemoedelijkheid te verstoren, daar het prieel zich op een verantwoorde afstand van de bewoonde wereld bevond.
Nadrukkelijk eiste Jochem zijn aandeel in deze tijdbubbel op door met verve zijn boodschap over zelfbeschikking uit te dragen, opgeluisterd met een kleurrijke en hartstochtelijk ontvangen performance, waarin hij zijn nieuwste kunsten vertoonde.
Nu had Jochem de pech dat juist die avond twee jonge ambitieuze agenten, geheel onbekend met zijn artiestenstatus, al enige tijd op afstand met groeiende ergernis deze ongebruikelijke uitvoering gadesloegen. Met driftige passen beende de jongste carrièremaker op het tafereel af, daarbij Jochems show bruusk onderbrekend met de vraag:
“Goede avond jongeman, zou ik je identiteitsbewijs even mogen zien?”
Jochem, juist op het punt staand om een langgerekte klaagtoon aan zijn anus te ontlokken, strooide geheel effectloos een hand glitterpoeder in de lucht, waarbij hij de agent wazig aankeek en geen weerstand kon bieden aan de opgebouwde spanning in zijn endeldarm, waardoor zijn sluitspier de vaak geoefende bewegingen maakte met de eerdergenoemde klaagzang tot gevolg. Een kort moment van absolute stilte volgde, waarin het leek of de op de achtergrond aanwezige stad zich het cruciale belang van dit moment realiseerde, daar zij voor een kort ogenblik, samen met de groep jongeren, de adem inhield. Hierdoor kon zich een spanning opbouwen die enkele seconden later in een oorverdovend gelach en gejoel explodeerde, waarbij sommigen tranen lachend over de grond rolden en ook de stad besloot enthousiast claxonnerend het leven te hervatten. Met zichtbaar ingehouden woede trok de jonge diender een boekje tevoorschijn en begon te schrijven, Jochem na enkele minuten een papiertje overhandigend met daarop het nadrukkelijke bedrag van 500 euro. ‘Wegens het beledigen van een ambtenaar in functie’ luidde de motivatie in het daartoe bestemde witte hokje.
Geheel verbijsterd begreep Jochem niet wat hem overkwam. Voldaan draaide de agent zich om en beet Jochem nog juist over zijn schouder toe:
“En denk erom, op tijd betalen. Anders loopt het bedrag heel snel op!” 

Strijdvaardig nam Jochem hiermee geen genoegen. Zonder het te beseffen gaf de jonge agent hem een sublieme mogelijkheid om te bewijzen wat zijn filosofie van zelfbeschikking waard was. Enige weken later moest hij zich melden bij de rechtbank, waarbij zijn advocaat de rechter wees op het recht van vrije meningsuiting waarvan Jochem gebruik had gemaakt.
“Iedere burger heeft recht op het verkondigen van zijn of haar mening. De agenten verstoorden dit grondrecht op meer dan provocerende wijze en interpreteerden de verkondigde filosofie, geheel ten onrechte, als een belediging aan hun adres.”
De rechter ging daarin mee en verklaarde de opgelegde boete als onterecht.
Vanaf dat moment kon Jochem niet meer stuk bij zijn publiek en haalde zelfs de internationale pers, waarmee zijn filosofie een bestendige status veroverde.