Snippers zijn columns of korte verhalen die maandelijks worden gepubliceerd

De vergissing

Over verkeerde beslissingen

“Wat kunnen mensen toch tegenvallen!” moppert Ties zachtjes voor zich uit, ondertussen met zijn vlakke rechterhand op het stuur slaand totdat hij per ongeluk de claxon beroert, die ogenblikkelijk schel protesterend door de duistere natte nacht schreeuwt. Ties schrikt van zijn eigen ongeremdheid en rukt onbewust aan het stuurwiel, waardoor de auto een onzekere slingerbeweging krijgt.
“Het zag er zo veelbelovend uit, wie had dit nu verwacht? Ik kan mezelf wel…” verzucht hij tegen zijn evenbeeld in de achteruitkijkspiegel.
“Na tweehonderd meter linksaf slaan,” reciteert de vriendelijke vrouwenstem van de navigatie onverstoorbaar.
Als je goed luistert kan je een zachte g in haar stem horen. Bij de aanschaf viel Ties meteen als een blok voor deze navigatrice, die zo heerlijk onverstoorbaar blijft in heftige verkeerssituaties. Al word je nog zo gesneden, al rijd je twintig keer de verkeerde kant op en al kan je door de gigantische verkeerschaos niet links aanhouden ondanks haar rustige aanwijzing hiertoe, Beatrice wordt er niet warm of koud van en staat direct met een alternatief klaar.
Beatrice, ja zo noemt Ties de vertrouwde vrouwenstem, waardoor het hem beter lukt zich op zijn gemak te voelen in het verkeer, want autorijden vindt hij een noodzakelijk kwaad. Hij haat het eigenlijk diep in zijn hart. Zoals anderen zich kunnen verheugen op een autoritje, zo kan Ties er tegenop zien als een arts tegen een slechte-tijding-gesprek. Beatrice is zijn steun en toeverlaat en hij haalt dan ook opgelucht adem als hij weer veilig zijn bestemming heeft bereikt.
“U nadert een rotonde. Neem de tweede afslag!” vervolgt Beatrice op zalvende toon.
Het is beestenweer. De regen gutst onafgebroken met bakken omlaag en stort zich lawaaierig op het dak en de voorruit van de auto. Allesbehalve de voorwaarden voor een relaxte autorit. Ties drukt zijn min-vier-brillenglazen bijna tegen de voorruit om door de waas van licht reflecterende druppels heen te dringen. Normaal gesproken heeft hij al flink moeite met oriënteren in een maanloze duistere nacht als deze. De versterking van een lichtschittering, gereflecteerd door duizenden kleine druppeltjes, is rampzaliger dan de verblinding door een paar felle koplampen van een voorbijrazende tegenligger. Dat moment van uitschakeling duurt slechts een fractie van een seconde, terwijl het druppeltjesgordijn permanent aanwezig is waardoor Ties zich bovenmenselijk moet inspannen voor de belofte van een goede afloop. Na zo’n rit is Ties doodop en voelt hij in zijn ogen een brandende pijn die soms pas na een dag weer verdwijnt.
Het lijkt wel of de weergoden vannacht hebben besloten om hem zijn ontluistering van deze avond extra in te wrijven. Zijn gedachten gaan terug naar een week geleden, een voor Nederlandse begrippen ongekend mooie zaterdag. Zo’n zwoele staalblauw aangezette zonovergoten dag die slechts om één enkele actie vraagt: liggen op het strand tot het moment dat al je warmte-indicatoren je dwingen een verkoelende frisse duik in het Noordzeewater te nemen. Dat Ties niet de enige was die dit overheerlijke idee opvatte, bleek al op de heenweg die werd gedomineerd door kilometers file. Ties trotseerde die graag, denkend aan de belofte van een extatische tropendag. Hij vindt het heerlijk om zulke tripjes alleen te maken, ondanks de ruime vriendenschaar waarover hij beschikt. Een dag alleen met jezelf, in je hoofd gesprekken voeren of juist niet. Dan hielpen het strand en het mooie weer om je kop leeg te krijgen, om een nieuw perspectief te creëren. Zo ook vorige week. Ondanks de enorme mensenmassa vond hij al snel een geschikte plek, niet al te dicht op anderen en niet te ver van het strandpaviljoen, zodat hij af en toe een versnapering kon halen.
Spoedig gaf hij gehoor aan de ritmische afwisseling van zonnen en een frisse duik nemen. Hoognodig tijd voor een versnapering, vond hij. Nadat hij zich een flinke punt met drie Italiaanse ijsbollen had aangeschaft en zich verlekkerd likkend in de richting van zijn badlaken begaf hield hij plotseling zijn pas in. Turend in de richting van zijn handdoeklocatie nam hij een opmerkelijke verandering waar. In plaats van alleen zijn eigen helblauwe badlaken zag hij nog een handdoek, pal naast de zijne, met daarop een bloedmooie brunette in een witte bikini. Haar gestrekte benen wezen in de richting van de zee, terwijl zij op haar beide armen half achterover steunend met gesloten ogen het hoofd licht naar achteren neigde, zodat haar kastanjebruine half lange haren bevallig langs haar ranke rug vielen. Een kort ogenblik stond Ties als aan de grond genageld, tot het moment waarop hij een kleverige massa over zijn hand voelde kruipen ten teken dat het tijd werd om het consumeren van de koude lekkernij te vervolgen.
Het smeltijs aflikkend liep hij verder en nam plaats op zijn handdoek op nog geen armlengte van het wereldwonder naast hem, dat zich overigens niet bewoog. Dit schonk Ties de gelegenheid om haar schuins nog eens goed van dichtbij te bekijken, waarbij hij concludeerde dat de overbrugde afstand geen correctiefilter bleek. Hoe vaak gebeurde het niet dat hij bewonderend keurende gedachten kreeg bij een van afstand naderende vrouwspersoon, waarna bij passage teleurstelling zich aandiende, omdat niet alle vrouwen met lang wapperend blond haar schoonheden bleken te zijn. Deze in witte bikini getooide brunette echter bleek van dichtbij nog verpletterender.
Een gevoel van ongemak drong zich aan Ties op, niet alleen haar aanwezigheid maar zeker ook haar onbewogenheid verontrustten hem. Juist na het doorslikken van zijn laatste restje ijswafel opende de schoonheid haar ogen, rechtte haar rug en sprak met een vriendelijke en daardoor aantrekkelijke stem:
“Zo kijk eens, welke kanjer hebben we hier? Ook goede morgen. Ik ben benieuwd wie de eigenaar van deze opvallend blauwe handdoek is. Met wie heb ik het genoegen?”
Ties raakte compleet van slag door deze directe benadering en vond zichzelf nogal klunzig bij zijn hakkelende poging tot een reactie.
“Oh uh, hey. Ik uh, ik heet Ties. Ik uh, ik dacht ik ga naast je zitten dacht ik, uh ik bedoel ik uh…”
De schone glimlachte en bracht vervolgens een zacht kirrend lachje ten gehore, waardoor Ties helemaal onder zijn badlaken smolt.
“Hey Ties, Ik ben Suze. Suze Brennikmeijer. Aangenaam.”
En bij die laatste woorden stak zij haar ranke gebruinde hand naar hem uit. Ties voelde dat Suze de zijne net iets langer dan gebruikelijk vasthield en hem daarbij met haar donkere ogen veelzeggend aankeek.
“Vind je het goed als ik even bij je kom zitten? Ik ben vandaag alleen op stap, dus…”
“Oh uh, ja natuurlijk. Je zit hier nu toch hè …”
Beiden lachten om zijn poging tot een grap.
Suze bleek over het vermogen te beschikken om iemand op zijn gemak te stellen, zo ook Ties. Spoedig transformeerde hij weer tot zichzelf, waarna het contact plezierig vertrouwd begon te voelen. Ze besloten zelfs om samen een frisse duik in het water te nemen en rond het middaguur begaven beiden zich naar het strandpaviljoen om samen de lunch te gebruiken.
“In welke plaats woon je eigenlijk?” vroeg Suze aan Ties, die zich realiseerde dat al veel gespreksonderwerpen de revue hadden gepasseerd, terwijl dit soort basale wetenswaardigheden nog onbesproken bleven. Ties gaf aan in Rotterdam te wonen, terwijl de domicilie van Suze Amsterdam bleek te zijn.
“Hoe bestaat het, een Rotterdammer versus een Amsterdammer, een grotere tegenstelling bestaat er niet!” constateerde Suze waarna beiden elkaar lachend aankeken onder het heffen van hun glas.
“Op Feyenoord-Ajax dan!” gniffelde Ties, waarbij ze hun glazen klonken en de tegenstelling met een slok uit hun glas bezegelden.
De rest van de middag stond wat Ties betreft niet in het teken van tegenstelling, nee, eerder aanvulling, vervolmaking. Hij had zich nog nooit zoveel mens, zoveel man gevoeld. Eigenlijk was zijn vraag in de loop van de middag om samen te gaan dineren een logisch gevolg, een soort natuurlijke ontwikkeling, zoals het planten van een zaadje uiteindelijk een boom opleverde of het verzorgen van een puppy een forse herdershond; een organisch resultaat van de ontmoeting van twee mensen die aan elkaar voorbestemd leken.
De Rotterdamse avond mondde uit in beschouwende, verdiepende, humoristische en soms intieme gesprekken, waarbij de brede ontwikkeling van Suze steeds duidelijker uitlichtte en de adorerende bewondering van Ties voor zijn stralende tafelgenote met het vorderen van de avond merkbaar groeide. Ties had bij de keuze van de eetgelegenheid ingezet op kwaliteit en ambiance, waaraan uiteraard een prijskaartje hing dat hij graag verzilverde. Ongemerkt naderden de kleine uurtjes, voor Suze een reden om Ties te vragen haar naar het centraal station te brengen.
“Oh maar ik wil je anders wel naar Amsterdam rijden hoor, voor mij geen probleem,” antwoordde hij gretig.
“Ik heb een veel beter idee: als je volgende week nou naar mij toekomt, zorg dat je rond een uur of zes bij me bent. Dan maak ik eten en gaan we er een gezellige avond van maken, oké?”
Het overweldigende gevoel de hoofdprijs van de Staatsloterij binnen handbereik te hebben nam bezit van hem, vooral toen Suze op het station hun afscheid met een sensuele kus bezegelde.

De hiernavolgende week kenmerkte zich door rusteloos ongeduld. De dagen schoten niet op en hoe verder de week vorderde des te trager het voortschrijden der uren werd. Eindelijk, eindelijk brak de zaterdag aan. Ties keek door zijn slaapkamerraam en kon zich geen groter contrast met vorige week bedenken, zoals zwart bij wit hoort, dik bij dun of slim bij dom. In de hemel ontpopte zich een ongelijke strijd, waarbij alles onder de noemer ‘hondenweer’ zich triomfantelijk aandiende. Het kwam met bakken uit de hemel bij een windkracht zeven, waardoor het hemelwater zich met striemende kracht tegen de ramen sloeg, hiermee de suggestie wekkend binnen afzienbare tijd het vensterglas niet meer als obstakel te zien.
Op het einde van de middag, waarbij het weerbeeld geen moment de indruk wekte sympathieker uitingsvormen te willen aanwenden, begaf Ties zich op weg naar Amsterdam, zich overgevend aan de betrouwbare begeleiding van Beatrice die hij als nooit tevoren waardeerde. Zonder problemen bereikte hij het adres van Suze. Gelukkig kon hij de auto dichtbij parkeren wat goed uitkwam, daar het gebruik van een paraplu onder deze stormachtige weersomstandigheden gelijk stond aan het geloof in je eigen vliegvermogen. Waanzin dus.
Een bos bloemen leek hem wel een romantische, maar geen realistische binnenkomer. Hij had bewust gekozen voor een intro waarvoor volgens hem de meeste vrouwen gevoelig waren: een sieraad. Hiervoor was hij naar Ruud, de juwelier op de hoek, gegaan om zich deskundig te laten informeren en die naar eigen zeggen een relatief goedkope, vrouwtoegankelijke, oplossing aandroeg. Het bedrag onder de streep gaf toch nog €190 aan die Ties zonder aarzeling betaalde. Kwestie van investeren, dacht hij.
“Oh Ties, wat mooi! Je wekt de indruk mijn smaak te kennen. Ik ben gek op colliers. Wil jij hem omdoen?” vroeg Suze met een verleidelijk stemmetje om zo haar goedkeuring voor de attentie te tonen.
De kamer werd feeëriek verlicht door smaakvol opgestelde kaarsen en slechts één brandende lamp was verantwoordelijk voor een zachtroze gloed, die een onnatuurlijke sensuele sfeer veroorzaakte.
“Nou, je hebt je best gedaan,” was het enige dat Ties kon bedenken.
“Oh niets bijzonders hoor, ik ben eraan gewend, maar ik ben blij dat het je goedkeuring heeft.
“Ik verheug me op je kunsten als keukenprinses,” veranderde Ties van onderwerp. “Ik heb me zo op deze avond verheugd.”
“Nou ja, daar wil ik het eerst even met je over hebben Ties. Ik krijg stellig de indruk dat onze verwachtingen niet geheel op één spoor zitten. Ik meende dat vorige week al te bemerken.”
Ties begreep niet welke richting Suze wilde inslaan. Hij doorgrondde haar opmerking niet en licht uit het veld geslagen liet hij dat merken.
“Verwachtingen? Ik weet niet…, wat precies…, wat probeer je te zeggen Suze?”
“Nou, laat ik maar duidelijk zijn, vorige week was erg gezellig en omdat die dag niet gepland was, heb ik er niets voor gerekend.”
Ties begreep er helemaal niets van. Wat bedoelde ze nu toch? Wie had het nu over geld? Dat was voor hem toch geen…
“Niets…, niets voor gerekend? Wat bedoel je nu Suze?”
“Ja, wat ik al zei: voor vorige week heb ik geen geld in rekening gebracht, maar een avond als deze kost je €950. En dat is niet duur hoor, geloof me maar.”
De sfeervolle kaarsen begonnen een dreigende houding aan te nemen en de roze verlichting schrijnde ineens aan zijn ogen.
“Godver Jezus, Suze …, ik dacht toch echt …, dit meen je niet!”
Ties hief het hoofd op en ontdekte zijn evenbeeld in de wandspiegel die hem nog niet eerder was opgevallen. Hij schrok van die wanhopige, ontsteld glurende beeltenis, die hem traag deed beseffen in welke ongewenste situatie hij was beland.
Met een ruk draaide hij zich om en beende de kamer uit, rukte de buitendeur open en vluchtte naar zijn auto op de hoek van de straat.

“Bij de tweede straat rechtsaf slaan,” informeert Beatrice hem onverstoorbaar met haar zachte g.
Ties is niet in staat om zich te oriënteren, het slechte zicht ontneemt hem ieder herkenningspunt. Hij werpt een vluchtige blik op het display van zijn navigatiesysteem waaruit hij opmaakt in het havengebied te rijden. Vreemd, Ties kan zich deze omgeving niet herinneren van de heenreis, hoewel zijn euforische gemoedstoestand eerder op de avond hieraan waarschijnlijk debet is.
Jezus, als ik toen alles had geweten, dan was ik …
“Na 150 meter linksaf slaan. Rijd vervolgens de tunnel in,” meldt Beatrice.
Ties draait zijn stuur naar links en merkt dat de weg begint te dalen. Hij geeft vol gas, hoe eerder thuis hoe beter. Hij wil Amsterdam zo snel mogelijk achter zich laten, momenteel zijn ‘Amsterdam’ en ‘misère’ congruente begrippen voor hem waarin hij met spoed verandering wil brengen. Ties trapt zijn gaspedaal nog maar eens extra in waarna een daverende klap op de motorkap, gevolgd door een heftige airbag activerende schok hem volledig verrast. Een fractie van een seconde later klapt hij met zijn hoofd in de beschermende plofzak en wordt zijn lichaam in de autogordel gedrukt. Een verdoofd en bijna bewusteloos gevoel overweldigt hem, waardoor hij gedurende een aantal tellen niet beseft wat er aan de hand is. Als zijn bewustzijn weer langzaam terugkomt, dringt zich een zwevend gevoel op. Of nee, eigenlijk meer een dwarrelend dalen, zoals een boomblad in de herfst los raakt van een tak en zwierend slingerend de bodem opzoekt. Een duidelijke schok vertelt hem dat de daling tot stilstand komt, gevolgd door een borrelende stilte. De gutsende regen is opgehouden, hoewel de ramen natter zijn dan ooit. Ook de hinderlijke schittering van de duizenden druppels is verdwenen. Sterker nog, hij neemt geen enkele lichtstraal meer waar. Een immense duisternis maakt zich van hem meester. Ties ziet werkelijk niets meer en hij begint nu ook te begrijpen waar dat geborrel vandaan komt. Met zijn handen langs het portier tastend voelt hij langzaam naar binnen sijpelend ijskoud water. Vrij van paniek rijpt het besef rondom zijn prangende situatie. Op de tast maakt hij zijn gordel los, vindt de safety hammer in de houder bij zijn voet, rukt die los en bewerkt hiermee het raam. Plotseling golft een hoos water naar binnen die in rap tempo het interieur begint te vullen. Het lukt Ties om een fikse hap lucht te nemen voor hij zich tegen de waterstroom in naar buiten werkt, waarna de gebeurtenissen geen indrukken meer nalaten in zijn geheugen. Hij begint pas weer te registreren als hij doornat en ijskoud de wal weet te bereiken en een uitgestoken hand grijpt.
“Ik heb je, ja ik heb je vast. Ik laat je niet meer los!” wordt hem met een platte Amsterdamse tongval toegeschreeuwd.
“Ja kom maar, hou vol, dan trek ik je op de kant!”
Even later hurkt hij op de kade, wordt hem een dikke jas om de schouders gehangen en houdt zijn behulpzame redder een grote paraplu boven zijn hoofd.
“Dddank je wwwel hè,” klappertandt Ties.
“O geen probleem jongen, je bent de tweede al deze week.”
Ties kijkt verbaasd omhoog in het verweerde gezicht van de Amsterdammer.
“Ddde tttweede?” bibbert hij.
“Ja je bent niet de eerste hoor. Je reed zeker een tunnel in hè?”
“Jjja dat kkklopt, ik moest lllinksaf slaan om een tttunnel in te rijden.”
“Ja, dat moest die andere ook. Blijkt een fout in je navigatiesysteem te zijn. Zou ik toch maar eens even over bellen. Over bellen gesproken, ik heb de hulpdiensten al ingeseind hoor, die zijn onderweg.”