Snippers zijn columns of korte verhalen die maandelijks worden gepubliceerd

De sollicitatie

Over een staaltje misofonie

Zijn moeder had een hoop geld kunnen uitsparen als zij eerder de oorzaak van zijn aanvallen had ontdekt. Oliviers bij herhaling toegesnauwde verwijt ‘Je moet ook geen appel eten’ werd afgedaan als een onnozele mantra op momenten van woede, een nietszeggende opmerking waarachter Olivier zich blijkbaar verschool bij gebrek aan een plausibele verklaring voor het aangerichte slagveld.
Reeds op jonge leeftijd viel het Oliviers ouders op dat hij, ogenschijnlijk uit het niets zoals de bekende donderslag bij heldere hemel, kon metamorfoseren van een vredig spelend kind in een nietsontziend verwoestend monster. Olivier sprak nog geen fatsoenlijk woord, slechts peutergebrabbel ontsteeg zijn veelvuldig in beweging zijnde kindermondje tijdens fantasierijke speelmomenten, waarop dozen en kussens in woningen veranderden, bevolkt door de vele knuffels die voor dit doel vanuit zijn kamertje naar het nieuw gefantaseerde adres verhuisden. Olivier ging helemaal op in zo’n spel en verklaarde zichzelf hiermee tot medebewoner van zijn zelfgecreëerde wereld. In tegenstelling tot zijn vaak wispelturige leeftijdgenootjes kon hij, zonder ook maar een moment van verveling of afleiding, urenlang in die fantasiewereld vertoeven. Vaak mocht hij zijn geschapen werkelijkheid laten liggen tot de volgende dag om ook dan zijn kinderbestaan met zingeving te vullen. Niets bracht hem van zijn à propos tot het onverklaarbare moment van een hevige woede-uitbarsting, waarbij zijn wereld van dozen, kussens en knuffels als in een apocalyps een vernietigend einde leek te zijn beschoren. Onder schril peutergebrul vlogen de bestanddelen van zijn wereldje door de kamer, zonder acht te slaan op de vernietigende uitwerking op breekbare interieuronderdelen. Meestal snelde Oliviers moeder naar hem toe om hem in een soort houtgreep te nemen wat, ondanks zijn jonge leeftijd, niet meeviel daar hij bij zijn gespartel krachten wist te genereren die menig pijnlijke blauwe plek opleverden. Doorgaans duurde deze worsteling een minuut of twee, waarna de opstand langzaam leek uit te razen. Het lukte Oliviers ouders nooit om zich op zo’n eruptie van ongebreidelde emoties voor te bereiden, met herhaaldelijke averij tot gevolg. Als een soort compromis besloten zij tenslotte om de meest kwetsbare voorwerpen uit de kamer te verbannen in afwachting van betere tijden.
Gek genoeg vonden deze geweldsuitbarstingen tijdens de eerste twee schooljaren alleen maar thuis plaats, tot opluchting van zijn vader en moeder. Het idee om bij herhaling op school uitgenodigd te worden voor het afleggen van verantwoording over de zoveelste oorlogsontketening door de doorgaans levenslustige Olivier, lonkte niet bepaald als een aantrekkelijke uitdaging. De verklaring hiervoor vloeide voort uit de veronderstelling dat de nieuwe verleidingen van de kleutergroepen Olivier voldoende tegenwicht boden. Deze aanname werd keihard getackeld vanaf de tweede week van groep drie, waarin het woedefenomeen zich ook op school begon te openbaren, met name tijdens de eetpauzes.
De school van Olivier verschafte de kinderen gratis fruit, met om de paar dagen een ander aanbod uit de rijke variëteit aan assortiment. Niet alleen werden de bekende vruchten, zoals peren en sinaasappels, verstrekt. Vanuit het oogpunt gezond en afwisselend eten te promoten kwamen ook vruchten als avocado, mango, kruisbessen en kiwi voorbij, fruit dat doorgaans in het gemiddelde gezin niet tot de dagelijkse kost behoorde.
De eerste schoolweek maakte deel uit van het mandarijnen- en bananentijdvak, doorgaans een voor kinderen gewilde periode. In andere tijden trokken klasgenootjes nog weleens een dat-lust-ik-niet-gezicht, vanuit de motivatie ‘wat de boer niet kent dat eet hij niet’. De eerste schoolweek bleef hiervan nog gevrijwaard. Met smaak etend kroost veroorzaakt bij een leerkracht momenten van voldaanheid: de maagjes gevuld, de leerkracht in geluk gehuld.
De tweede week echter ontpopte zich als een geheel ander tijdperk. De eerste dagen, de perzikfase, kabbelden nog redelijk ongestoord voort. Echter op woensdag trad de appelperiode in. En die duurde tot vrijdag, drie dagen lang, want bekend fruit zou de kinderen in ieder geval tot eten nopen. Met grote verschrikte ogen zag Olivier de conciërge met het overrijk gevulde krat binnenkomen. Drie dagen appels, ze pasten bijna niet in de houten bak, zoveel. En allemaal groen, met slechts hier en daar een rode spikkel. ‘Kijk ons eens hard zijn’ leken ze te roepen.
Vanaf dat moment had Olivier geen aandacht meer voor de nieuwe letter die de juffrouw poogde aan te leren. Slechts een plaatje met het woordje ‘appel’ tekende zich als een schrikbeeld op zijn netvlies af, een testbeeld dat steeds meer begon te trillen en te flitsen in pijnlijk verhardende kleuren.
“Het is bijna tien uur kinderen. Vandaag is het appeltjesdag. Vinden jullie die ook zo lekker?” zalfde de juf met een suikerzoet stemmetje. “Jullie kunnen vast niet wachten totdat ik die heerlijke sappige appels uitdeel. Niet gelijk gaan eten hoor. Wacht tot iedereen heeft gekregen en dan beginnen we.”
Tot genoegen van Olivier bemerkte hij dat niet iedereen zich verheugde op zo’n overheerlijk natuurproduct, afgaand op de zure gezichten waarmee sommigen weigerden een appel uit de voorgehouden kist te nemen.
“Jammer dat je niet lust,” hoorde hij de juf standaard reageren. “Ik wil je niet dwingen, maar spijtig vind ik het wel dat je zo’n gezond stukje fruit weigert,” probeerde zij dan in een ultieme poging om de weigeraar een schuldgevoel aan te praten.
Toen het laatste kind van een appel was voorzien stelde de schooljuf zich voor de klas op en gaf een kort klapje met haar handen ten teken dat de melktandjes in de groene boomvruchten konden worden gezet. Olivier, tot de kleine groep appelweigeraars behorend, wilde met gebogen hoofd zijn oren met de handen bedekken ter afscherming voor het gevreesde knauwgeluid als startsein van een ongegeneerd vreetfestijn, een kraak-, knabbel- en kauwfeest versterkt door een twintigtal opengesperde mondholtes, onstuitbaar gevolgd door een tweede fase van smakken en slurpen en onverholen eetgeluiden. Zijn reactie kwam helaas te laat doordat een groot deel van de kinderen over een wellustige honger beschikte, die het interval tussen handgeklap en eerste hap tot tienden van een seconde reduceerde. Tot het moment waarop Olivier zijn oren effectief wist af te dekken, drong er reeds een angstwekkende kakofonie van melkgebitgeluiden zijn gehoororganen binnen als inleiding op een onvermijdelijke woede-eruptie. Hoe probaat zijn beschermpoging ook was, het bleek onontkoombaar dat de zo gehate geluiden zijn brein bereikten, met een in hevigheid toenemend schuddend, schokkend en briesend lijf tot gevolg. Het duurde geruime tijd voor de juffrouw de kenterende gemoedstoestand van Olivier signaleerde en nam deze pas waar op het moment dat hij van zijn stoel sprong en onder beestachtig gebrul om zich heen begon te maaien, daarbij met van alles smijtend, tot aan zijn eigen stoeltje toe. De grens van het empathisch toelaatbare werd al gauw bereikt toen het zitmeubeltje door de ruit vloog en in een regen van glasscherven op het schoolplein belandde.
In de dagen hierop volgend vonden meerdere gesprekken plaats tussen school en de ouders van Olivier, die uiteindelijk resulteerden in het advies om professionele hulp te zoeken.
De kinderpsycholoog die Olivier onderzocht kwam tot de conclusie dat hier sprake was van misofonie, een vorm van verminderde geluidstolerantie.
“Bij mensen met misofonie treden gevoelens van woede en walging op bij het horen van bepaalde, meestal door mensen geproduceerde, geluiden,” luidde zijn uitleg.
Olivier bleek een overgevoeligheid te hebben voor geluiden behorend bij het eten van appels. Hij ging dan volledig uit zijn plaat, waar hij overigens niets aan kon doen. Het was een aandrang waartegen hij zich niet kon weren. Een lang traject van therapie werd in het vooruitzicht gesteld met als doel woede-uitbarstingen te voorkomen en Oliviers lichtgeraaktheid op natuurlijke wijze in te bedden in zijn leven.
De belangrijkste strategie bestond uit het ontwijken van de woede-opwekkende prikkel, zoals het verlaten van een ruimte waarin een aanstaande appelverorbering zich aandiende. Alras leerde Olivier deze benaderingswijze te hanteren, evenals het herkennen van de signalen behorend bij een naderende woedeaanval. Gaandeweg leverde zijn misofonie minder problemen op en halverwege de middelbare school was zelfs niemand hiervan meer op de hoogte, daar zijn uitbarstingen vanaf toen tot het verleden behoorden.
Er bestond één trigger die eeuwig op de loer lag: onbekende en onverwachte situaties, momenten waarop Olivier veel energie in andere impulsen moest steken, waardoor zijn alertheid verzwakte. Een enkele keer overkwam hem dit. Het verschil met vroeger was echter dat hij dan pijlsnel de kamer verliet en elders zijn woede ontlaadde, bij voorkeur op een plek waar hij zo min mogelijk schade kon aanrichten.

Zijn opleiding fysiotherapie doorliep Oliver zonder problemen. Zijn studententijd in Rotterdam was eigenlijk een groot feest. Hij had het reuze naar zijn zin in die grote levendige havenstad en naast het studeren stortte hij zich enthousiast in het studentenleven, waardoor hij een grote vriendenkring wist op te bouwen. Olivier studeerde cum laude af, waarna een leven als fysiotherapeut hem toelonkte. Eerst de nodige jaren ervaring opdoen en zich dan toeleggen op sportfysio, een stille wens die hij als toegewijd sporter koesterde.
Eén van zijn vrienden maakte hem attent op een vacature bij een praktijk ergens in de binnenstad, waar hij al gauw op een sollicitatiegesprek werd uitgenodigd.
Op een druilerige najaarsmorgen begaf hij zich op zijn oude fiets richting het centrum, op weg naar wellicht zijn eerste baan. Olivier was best gespannen, maar wel op een gezonde manier, niet verlammend. Het druilerige weer maakte de lucht vochtig waardoor hij, toen hij van zijn fiets stapte, wel nat was, maar niet doorweekt. Het deerde Olivier niet, voor hem scheen de zon, gloorde de toekomst.
Het sollicitatiegesprek verliep boven verwachting en de potentiële collega liet doorschemeren dat wat hem betreft Olivier zo snel mogelijk met zijn werkzaamheden kon beginnen, uiteraard met in achtneming van de bekende proefperiode.
“Dit gesprek voelt goed, ik denk dat ik een samenwerking met je wel zie zitten,” sprak Diederik. “Wil je nog wat drinken? Dan laat ik nog iets komen. Koffie?”
Zonder een antwoord af te wachten bediende Diederik de intercom en vroeg om nog een kop koffie voor Olivier.
Het eeuwenoude pand waarin de praktijk was gevestigd kende door de jaren heen tal van uiteenlopende bewoners, waardoor er nogal wat verbouwingen en modernisaties hadden plaatsgevonden. Een euvel echter bleken de slecht sluitende deuren. Voor Diederik geen probleem.
“Dan laten we ze toch open staan, creëren we direct een open werksfeer,” was zijn motto, met als gevolg dat iedereen bij elkaar kon binnenlopen, waardoor het pand als een grote huiskamer werd ervaren. Hierdoor hoorde Olivier de medewerkster met de koffie niet binnenkomen en schrok hij zichtbaar toen zij vlak bij zijn oor sprak:
“Ik zet je koffie hier op de tafel hoor,” waarna zij de daad bij het woord voegde en verheerlijkt een grote hap van haar appel nam die ze in haar vrije hand vasthield, een daad met een verbluffende uitwerking.
Olivier zette ogen op zo groot als de knikkers uit zijn jeugd, sprong naar het bureau met de intentie om de daarop aanwezige designlamp tegen de muur te smijten, bedacht zich in een oogwenk om vervolgens onder het slaken van ijselijk rauwe kreten het kantoor uit te rennen, daarbij de hevig geschrokken dame omverlopend. De schreeuwende wervelwind, die vervolgens door het pand richting de buitendeur trok, deed passerende collega’s ontsteld omkijken. Die zagen de onbekende man door de voordeur vliegen en na een luide plons in de belendende singel verdwijnen.
Hevig overstuur kroop de koffiejuffrouw ondertussen overeind en bibberde tegen Diederik, die stijf verschrikt achter zijn bureau zat:
“Weet je zeker dat je hem wilt aannemen?”