Snippers zijn columns of korte verhalen die maandelijks worden gepubliceerd

Bloedneus

Over twee keer leven

Guusjes jonge leven kenmerkt zich door bedachtzaamheid. Haast is voor brokkenpiloten is haar motto, waarbij rust en doordachtheid een essentieel onderdeel vormen van het leven, haar leven, merkbaar aan de manier waarop ze wakker wordt, opstaat, eet, het tempo waarmee ze naar school gaat, de afspraken met anderen. Kortom, zij vormen de lardering van haar bestaan.
Waarom zou ze zich haasten? Nergens voor nodig toch? Op haar gemak komt ze er ook, raakt niet gestrest en hoeft ook geen onmens voor anderen uit te hangen. Bovendien voorkomt dat een hoop relationele ellende, zonder haar energie aan dergelijke bagatellisering te verspillen.
Vol verbazing signaleert Guusje dit soort verkwisting bij anderen in haar omgeving, een verspilling die voor haar verwant is aan ruzie, overspanning, stress, allemaal eigenschappen waaraan zij een broertje dood heeft.
In tegenstelling tot wat deze geaardheden doen vermoeden vindt Guusje zichzelf absoluut niet saai. Zo kan zij best spontaan reageren, onbevangen en ongekunsteld, maar dan wel zonder impulsiviteit, want die raakt aan de verkwisting waaraan zij zo’n hekel heeft.
Jongens verschenen pas laat in haar leven. Ook op dit gebied doet Guusje het rustig aan. Nou heeft Voorderveld ook niet veel keus op dit gebied, of je moet van de doorsnee zuipende en meiden naroepende boerenkinkel houden, die zich doorgaans rond het dorpsplein in het Achterhoekse gehucht ophoudt. Een enorme bankencirkel verschaft de leden van de luidruchtige plaatselijke acneclub een ideale positie om het passerende dorpsleven van commentaar en ongepaste opmerkingen te voorzien. De gewraakte kring met banken wekt vanuit de lucht de indruk van een door ufo’s afgedrukte graancirkel, destijds door de gemeente als een groots project aangekondigd om fietsende toeristen te verleiden het dorp niet in rap tempo te passeren, maar uitrustend op de ufo-afdruk te genieten van een meegebrachte boterham of een bij de plaatselijke ijsboer verschalkte koude versnapering.
Doorgaans passeert Guusje de dorpskern met een minachtende kamelenblik die, wat er ook aan bagger in het platte streekdialect over haar wordt uitgestort, haar status van onbereikbaarheid bevestigt en consolideert. Over het algemeen roept dit bij het dorpsplebs een jaloezie-opwekkende woede op, daar de frisse ranke verschijning met de wapperende weelderige haarbos het aanzien meer dan waard is en menig boeren jongenshart een slag doet overslaan.
Voor haar opleiding Toerisme en Recreatie reist Guusje dagelijks op en neer naar Doetinchem, eerst op de fiets en later op een van haar zaterdagbaantje gespaard scootertje. Daar doet zij voorzichtig ervaring met jongens op, meestal niet uit haar eigen klas, want haar voorkeur gaat uit naar wat oudere studiegenoten, waaruit ze een ruime keuze maken kan door het niet onopgemerkt blijven van haar aantrekkelijke verschijning. Veelal hapt Guusje niet snel toe, wat haar waarde op de verkeringsmarkt al snel in rap tempo laat stijgen. Zo tast zij voorzichtig het jongensaanbod af, zonder ooit van plan te zijn om een serieuze relatie te beginnen.
Tijdens haar eerste baan bij reisbureau TravelPleasure verandert dit. Op een dag verschijnt er een klant, een jongeman van een jaar of zesentwintig, die haar uitnodigt om iets te gaan eten als toegift op de geboekte reis. De anders niet snel toehappende Guusje spreekt intuïtief diezelfde avond met Thijmen af, die vanaf dat moment niet meer uit haar leven verdwijnt.
Thijmen Oonk is geboren en getogen in de Achterhoek, al is er geen enkele uitspraak die hieraan refereert, want Thijmen praat met keurig abn en dat is nu juist, naast zijn aantrekkelijke verschijning, waar Guusje als een blok voor valt. Zijn keurig gearticuleerde zinnen vermoeden wereldsheid, wereldburgerschap, je thuis voelen in de rest van de wereld, waarbij de Achterhoek slechts een toevallige tussenstop lijkt. Opvallend genoeg refereren de jongens, waar Guusje in het verleden op viel, allemaal aan dat wereldse, dat afwijken van het doorsnee Achterhoekse.
Vanaf het begin karakteriseert de relatie met Thijmen zich door passie en onstuimigheid, geheel tegen de principes van Guusje, die zichzelf met moeite hierin herkent. Zo blijkt niet alleen Thijmen, maar ook zijzelf een overweldigende verrassing. Hun leeftijdsverschil sleurt Guusje uit het laatste restje adolescentie.
Thijmens overrompelende karakter komt wel het sterkst tot uiting in het feit dat hij haar na driekwart jaar voor de tweede maal om verkering vraagt, een nieuwe Thijmen en een nieuwe Guusje, vanuit een wel zeer bevreemdende oorzaak.

De zon kleurt zich dieprood, verlopend via feloranje naar intens geel boven een vredig romantische Noordzee. Het Zandvoortse strand kleurt zich in een oranjerode gloed, samen met de aangrenzende wereld.
“Wat is het hier prachtig,” fluistert Guusje tegen Thijmen die tegenover haar aan een tafeltje van strandpaviljoen Thalassa zit, juist een verkoelend slokje van een heerlijk glas witbier nippend. Thijmen heft zijn glas in haar richting en zegt:
“Proost. Een half jaar alweer. Dit voelt alsof ik je mijn hele leven al ken. Ik vond dat we dit moesten vieren.”
Als verrassing heeft hij Guusje meegenomen naar Zandvoort voor een romantisch etentje aan het strand. De zee, de ondergaande zon, eten en alcohol, het helpt allemaal om in een diepere dimensie te komen van waaruit alles een ander perspectief krijgt, of in ieder geval een scherper. Voor Guusje de ultieme bevestiging van haar keuze voor Thijmen.
“Moet je zien, daar aan de horizon. Als je goed kijkt zie je drie zeestomers varen.”
Met samengeknepen ogen en de handen beschermend boven haar gezicht tuurt Guusje in de richting waarheen Thijmen wijst. Heel vaag meent zij de schepen waar te nemen. Om nog beter te kunnen kijken spert zij haar ogen wijder open waardoor zich, als gevolg van een lichte kriebel, een onweerstaanbare nies aankondigt. De hevige ontlading als een droge knetterende bliksem bij duistere hemel doet de overige gasten even verschrikt in haar richting kijken, waarna de gebeurtenissen elkaar snel opvolgen.
In een beschermende reflex bedekt Guusje het gezicht met haar hand, die zich binnen afzienbare tijd met het scharlakenrood van bloed vult dat in rap tempo haar neus uitstroomt. In gestaag neervallende druppels verlaat het warme levenssap de overstromende hand, waardoor het lichte tafellaken in een mum van tijd een kunstwerk van levend ogende vlekken vormt, voortbewegende plakkaten die zich verzadigen in de stof en, mede door de onophoudelijk neerdalende aanvulling, van vorm en grootte veranderen. Nu is een bloedneus niet zo bijzonder, zeker als de stelping na enige minuten intreedt, maar Guusjes bloeding wijkt van die standaard af, getuigend de juist toenemende in plaats van verminderende stroom. Guusje voelt haar lichaamsstructuur in een weke rubberachtige substantie veranderen, waardoor zij zich als enig mogelijke reactie onderuit laat zakken, om als een langzaam leeglopende juten zak half onder de tafel te schuiven, waardoor ook haar kleding in het rode kunstwerk opgenomen wordt.
Hevig geschrokken springt Thijmen van zijn stoel op, gaat vliegensvlug achter Guusje staan en voorkomt zo dat zij geheel onder de tafel verdwijnt. De razend vlug toegesnelde ober trekt een grote voorraad tissues uit een meegebrachte doos tevoorschijn, in een wanhopige poging de schade te beperken. Inmiddels stroomt het bloed niet alleen uit Guusjes neus, maar ook uit haar rechteroog, voor Thijmen het signaal om zijn mobiel van de tafel te grissen en de alarmcentrale te bellen. Ondertussen verliest Guusje haar bewustzijn en hangt als een slappe vaatdoek in haar stoel, zo goed mogelijk bij elkaar gehouden door de zorgzame ober, die als een bizarre constatering bespeurt dat de overige gasten onverstoorbaar dooreten.
Binnen tien minuten arriveert een ambulance die, nadat Guusje op een brancard is gestabiliseerd, haar afvoert naar het dichtstbijzijnde hospitaal. Daar lukt het uiteindelijk om de bloeding te stoppen. Voor verder onderzoek willen de artsen haar in het ziekenhuis houden, natuurlijk totdat Guusje weer bij bewustzijn komt, maar ook om de oorzaak van de hevige bloeding te onderzoeken.
Om de situatie uit te leggen belt Thijmen de ouders van Guusje, die zich hevig geschrokken op weg richting Heemstede begeven, waar ze laat in de avond bij het Spaarne Gasthuis aankomen.
“Mogen we even bij haar?” vraagt Guusjes vader aan Thijmen, na elkaar emotioneel te hebben omarmd.
“Ik denk dat we er zo bij kunnen. De artsen zijn nog met haar bezig en geven een seintje als we haar mogen zien.”
Na enige tijd verschijnt er inderdaad een arts, die met zachte stem meedeelt dat Guusje nog steeds in coma ligt, maar naar verwachting ieder moment weer kan ontwaken. Allen krijgen toestemming om afzonderlijk naar haar kamer te gaan.
Om beurten brengt ieder een ogenblikje naast het bed door. Op het moment dat Guusjes vader, als laatste van de drie, plaats neemt op de stoel naast het bed, opent Guusje haar ogen en kijkt wazig in de richting van haar vader, die de tranen achter zijn ogen voelt branden. Met een steeds verbaasder blik loert Guusje voorzichtig in het rond.
“Dag meneer, kunt u mij vertellen waarom ik in het ziekenhuis lig?” vraagt zij met een zachte gebroken stem.
“Meneer, meneer? Kijk eens goed Guusje, ik ben het, je vader!” antwoordt Guusjes vader met een hoorbare trilling in zijn stem.
Guusje spert haar ogen wijd open en tuurt vol verbazing in de richting van het stemgeluid.
“Ken ik u dan?” vervolgt zij na enige tijd vertwijfeld.
“Ja natuurlijk. Ik ben toch je vader? Wacht, ik haal de anderen erbij.”
Van de zenuwen zijn stoel omduwend schuifelt hij de deur door naar de gang om de anderen te waarschuwen.
“Dag mevrouw, kunt u mij zeggen waarom ik in het ziekenhuis lig? Bent u soms de arts?” fluistert Guusje tegen haar moeder, die spontaan in huilen uitbarst en niet in staat blijkt om te antwoorden.
Dan schuift Thijmen naar voren en buigt zich langzaam over Guusje, zodat zij hem goed kan zien.
“Dag schat, ik ben het, Thijmen. Ik ben zo blij dat je weer bij kennis bent.”
Thijmen buigt zich nog verder naar voren in een poging om haar een kus op het voorhoofd te geven, een poging die met een afwerend gebaar van Guusje wordt onderbroken.
“Thijmen, wie is Thijmen?” vraagt zij doordringend.
“Wij hebben verkering schat, om ons half jaar verkering te vieren zaten wij een paar uur geleden nog romantisch te dineren aan het strand.”
“Daar herinner ik me niets van. Heb ik verkering dan?” vraagt Guusje vertwijfeld.
De verwarrende en tevens verontrustende conversatie wordt verstoord door de arts die de kamer betreedt en allen verzoekt om deze te verlaten om verder onderzoek mogelijk te maken.

De volgende morgen kan de dokter meer uitsluitsel geven.
“Het was niet bepaald een doorsnee bloedneus”, vertelt hij, na een toelichting op de onderzoeken.

“Er blijkt een zeldzaam defect in de cruciale verbinding tussen de hersenen en het zenuwstelsel te zijn opgetreden. De bloeding vond plaats toen de cruciale connectie werd verbroken. We hebben een bijzondere neurologische aandoening gevonden die heel soms optreedt bij depressies en stress. We denken dat het om een aangeboren afwijking gaat. Haar complete geheugen is verdampt. Zij zal al haar ervaringen opnieuw moeten beleven en opbouwen.”
Met verbijstering kijken Thijmen en zijn schoonouders de arts aan, wat moeten ze hiervan denken?
“Verdampen? Kan je geheugen zomaar verdwijnen dan?” stamelt Guusjes vader.
Het blijkt dat de arts goede hoop heeft op de gedeeltelijke terugkeer van haar herinneringen, mits op de juiste wijze gestimuleerd.
“Toch zal een segment van haar ervaringen opnieuw moeten worden opgebouwd,” luidt het slotadvies van de arts. “Zo kan ik me heel goed voorstellen dat jullie verkering opnieuw zal moeten worden uitgevonden, als Guusje dat al überhaupt wil.”
Die laatste woorden voegt de arts op bijna fluisterende toon toe. De hiernavolgende conversatie vindt geluidloos plaats, althans in de beleving van Thijmen. Hij ontwaart wel mondbewegingen, maar ontvangt geen geluiden, een vertraagde scène uit een horrorfilm, maar dan wel met hemzelf in de hoofdrol. De opmerking van de arts blijkt een soort bezweringsformule voor het uitschakelen van zijn vitale bewustzijn, waardoor Thijmen in een zwart gat glijdt, waaruit hij de volgende dag in bed pas weer tevoorschijn kruipt.
Na het ontbijt verneemt hij van Guusjes vader dat zij in de loop van de middag zal thuiskomen.
“De arts raadt ons aan om de eerste dagen even niemand te ontvangen. Ik bel je over een paar dagen wel, dan kun je bij haar langsgaan,” besluit hij het gesprek.
Rationeel begrijpt Thijmen de beslissing, maar de absurditeit dat de vrouw, waar hij zoveel van houdt, in hem een vreemde ziet, snijdt vlijmscherp door zijn ziel. Wanhopig vlucht Thijmen in onnozele bezigheden, handelingen die hun belang ontlenen aan gebrek aan beter in een poging zijn gemoedstoestand af te vlakken.  Zijn gedachten razen maar door. Hoe ziet zijn toekomst eruit, hoe ziet hun toekomst eruit? Is er straks nog wel een ‘samen’ of blijft hij een vreemde voor Guusje? Langzaam rijpt de gedachte om een fotoboek samen te stellen, een verzameling van memorabele momenten uit hun zes maanden lange relatie, als puzzelstukjes voor Guusje bij het heruitvinden van hun relatie. Door het vertalen van zijn twijfels in concrete handelingen voelt Thijmen plotseling weer energie stromen. Op zijn computer bezoekt hij een website voor fotoalbums en begint met de selectie van afbeeldingen, wat voelt als het opruimen van een zolder: ieder voorwerp vertelt haar eigen boeiende verhaal en werpt daarmee een drempel tegen weggooien op. Na anderhalve dag kan Thijmen tevreden over het resultaat zijn. Gelukkig bestaat de mogelijkheid om het album bij een filiaal in de stad op te halen. Net op tijd, want diezelfde avond meldt Guusjes vader dat hij de volgende dag op bezoek mag komen.
’s Nachts doet Thijmen een onrustige poging tot slapen. ‘s Morgens is hij al vroeg wakker en op het afgesproken tijdstip begeeft hij zich op weg naar het voor hem inmiddels vertrouwde adres, met onder zijn arm hun met zorg ingepakte relatiegeschiedenis.
“Kijk eens wie hier is Guusje?” introduceert haar vader Thijmens binnenkomst in de woonkamer.
Nieuwsgierig zit Guusje op de door een goudgeel ochtendzonnetje beschenen bank, het belooft een stralende zomerdag te worden.
“Hier is Thijmen, de jongen waarmee jij verkering hebt.”
Guusje kijkt hem verwachtingsvol aan met de blik van iemand, die iets lekkers beloofd wordt zonder te weten wat. Voorzichtig staat ze op en geeft Thijmen een drievoudige kus op beide wangen alsof ze een kennis begroet.
“Ha Thijmen, kom je naast me op de bank zitten? Mijn ouders hebben verteld dat wij verkering hebben. Raar dat ik daar helemaal niets bij voel hè!”
Door deze confrontatie met de harde werkelijkheid moet Thijmen wel even slikken,
“Ik heb wat voor je meegenomen,” antwoordt Thijmen. “Ik hoop dat dit helpt om onszelf weer te herinneren.”

In de weken na hun hernieuwde ontmoeting beginnen Thijmen en Guusje opnieuw met daten, met als hoogtepunt een etentje in paviljoen Thalassa aan het Zandvoortse strand. Als verwijzing naar die noodlottige avond heeft hij geregeld, dat zij door dezelfde ober worden bediend.
Na het voorgerecht pakt Thijmen voorzichtig Guusjes beide handen, kijkt haar verwachtingsvol in de ogen en zegt:
“Lieve Guusje, zou jij verkering met me willen?”
Guusje begint te glimlachen en zegt daarna zachtjes grinnikend:
“Ik denk dat ik je wel heel leuk vind. Heel graag.”
De ober, als onderdeel van het complot, schiet precies op dat moment een foto.
“Voor in het fotoboek,” zegt hij lachend. “Voor als het nog een keertje nodig is.”
Verbaasd kijken beiden in zijn richting en zien hem, van zijn eigen opmerking schrikkend, rood verschieten. Beiden lachen hartelijk en bekronen dit moment met een zoen, waarna het inderhaast verzamelde voltallige personeel begint te klappen en juichen. Enthousiast heffen ze ‘Lang zullen ze leven’ aan, waarbij de overige gasten algauw invallen. Een moment om nooit te vergeten.